| Dag altegaderinloggen | |
| Bestuur van Velt Reinaert Kalender 2010 Lid worden ? Wat je krijgt als lid Groepsaankoop Vragen ? Interessante links Reinaert in beeld |
Van den Vos Reynaerde
Ergens in de sinksendagen,
toen de bosjes en de hagen
vol met groene blaadjes stonden,
had koning Nobel doen verkonden
dat hij een hofdag houden zou.
Hij was eerzuchtig en hij wou
nog iets aan zijn imago doen.
Alle dieren gingen toen
op weg naar 't hof. Ja, iedereen,
't zij groot of klein, behalve één:
Reynaert de vos. Die durfde niet.
Hij was zó een deugeniet,
hij had al zóveel kwaad gedaan
en had zó een slechte naam
dat hij zich niet meer durfde tonen
op de hofdag van de koning.
Toen iedereen verzameld was,
was er niemand -behalve de das-
die niet kwam klagen over Reynaert,
die deugniet met zijn grijze baard.
De eerste klacht kwam van de kant van
Isengrin en zijn verwanten.
Zij gingen voor de koning staan
en de wolf begon spontaan:
'Mijn heer en meester! Sire!
U wordt geëerd onder de dieren,
omdat u wijs bent en rechtvaardig.
Ik smeek u: is het niet misdadig
wat Reynaert mij heeft aangedaan?
Hij laat mij aan de schandpaal staan,
spot met mij en slaat mij blauw,
maar 't ergste is dat hij mijn vrouw
verkracht heeft. En voor ze 't wist
heeft hij mijn kinderen bepist,
terwijl ze in hun nestje lagen.
Twee blijven de gevolgen dragen:
zij zijn sindsdien volkomen blind!
Maar, sire, desalniettemin
blijft hij mij treiteren en honen!
Wij waren overeengekomen
dat hij zou zweren bij de relikwie...
van ik weet niet juist meer wie
dat hij onschuldig was. Maar
toen de resten van de martelaar
op het toneel verschenen,
was hij in zijn kasteel verdwenen!
Vele hoogstgeplaatste heren
kunnen het u affirmeren:
Reynaert heeft mij al zoveel
gekoeioneerd. 't Is krimineel!
Zelfs al maak je perkament
van al het laken dat in Gent
gemaakt wordt, kan ik zijn misdrijven
nóg niet voor de helft beschrijven.
Het meeste wil ik hem vergeven,
maar dat hij mijn huwelijksleven
heeft verwoest, dat moet gewroken!'
Toen Isengrin was uitgesproken,
stond een hondje recht, Courtois.
Het vertelde 'en françois'
dat het een arme drommel was
die van de winter in zijn sas
geweest was met een stuk saucisse,
maar dat Renard, ce sâle complice,
hem die saucisse had afgenomen,
zodat hij haast was omgekomen!
Tybeert de kater, die sprong nijdig
in de ring en zei: 'Onpartijdig,
bent u niet, mijn Heer en koning!
Dit lijkt mij hier een schertsvertoning!
Omdat u niet van Reynaert houdt,
mag iedereen, 't zij jong of oud,
hem zomaar door de modder sleuren!
Hoor Courtois nu toch eens zeuren!
Wat die hond vertelt, verdorie,
dat is nog uit de prehistorie!
Dat worstje was niet eens het zijne
bovendien! Het was het mijne!
Ik was 's nachts in een molen
Ingebroken en had de worst gestolen
van een slapende molenaar.
Dus was ik dus de eigenaar!
Wat komt Courtois hier klagen?
Ik kan niet anders dan u vragen
dat u die aanklacht seponeert.'
Pancer de bever repliceerde:
'Tybeert, lijkt het jou gepast,
dat dit proces wordt afgelast?
Reynaert is een leugenaar,
een dief, een boef, een moordenaar,
die niets of niemand ooit ontziet,
zelfs mijn heer, de koning, niet!
Voor een vette kippenbout
maakt hij zelfs de koning koud!
Wat zeg je van die hinderlaag
waarin hij op klaarlichte dag
Cuwaert heeft gelokt? En is
de haas hier soms geen pacifist
die niemand ooit iets heeft misdaan?
Weet u wat Reynaert heeft gedaan,
terwijl u vrede had bevolen?
Om Cuwaert bij te scholen,
zogezegd tot kapelaan,
is hij achter hem gaan staan,
heeft hem positie in doen nemen
tussen zijn gespreide benen
en is met hem gaan repeteren
om het 'Credo' aan te leren!
Toevallig kwam ik daar voorbij
en hoorde hoe ze allebei
luidkeels aan het zingen waren.
Ik liep, beducht voor de gevaren,
naar de plaats van het gebeuren
en vond daar meester Reynaert sleuren
aan Cuwaerts kop. Het heeft niet veel
gescheeld of hij had hem gekeeld.
Van enig onderwijs of leer-
proces was absoluut geen sprake meer.
Had ik hun stemmen niet gehoord,
dan was hij door Reynaert vermoord.
Het had niet lang meer mogen duren!
Kijk maar eens naar zijn kwetsuren:
ze zijn nog altijd niet genezen!
De feiten -ziet u- zijn bewezen.
U laat het toch niet ongewroken
dat uw vrede wordt gebroken?
Als u niet doet wat men verwacht
zal heel uw nageslacht
de schande dragen. Nog menig jaar!'
'Pancer, wat je zegt is waar!'
zei Isengrin nadrukkelijk,
'Heer, het zou een groot geluk
zijn, als die Reynaert dood zou wezen!
Als we hem vandaag vergeven,
zal het niet zo lang meer duren
of hij legt ons weeral in de luren.'
Dit was teveel voor Grimbeert de das,
die een neef van Reynaert was.
Hij werd kwaad en nam het woord:
'Isengrin, heb jij gehoord
hoe 't oude spreekwoord gaat:
Vijands praat is valse praat!
Spits uw oren! Let goed op:
Ik wil diegene aan de strop
die het meeste kwaad heeft aan-
gericht. Laat die maar naar de galg gaan!
Heer Isengrin, ga jij akkoord
met wat jij hier zojuist gehoord
hebt?' 'Zeker! Met plezier, Grimbeert!'
'Wel, zo ook mijn oom, mijnheer!
Want als we jullie vergelijken
zal daar dadelijk uit blijken
-tot uw grote ergernis-
wie hier de grootste smeerlap is!
Isengrin, het is geen kunst
om iemand die niet in de gunst
staat van de koning zwart te maken.
Als Reynaert het genot zou smaken
dat de koning hém vertrouwde
dan werd jij nu aangehouden!
Hoe vaak heb jij hem niet gebeten
en met je tanden aan zijn vel gezeten?'
Isengrin zei: 'Heb jij zo vroom
leren liegen van je oom?'
'Van wat ik zeg, is niets gelogen!
Jij hebt mijn oom bedrogen,
meer dan eens, op vele wijzen!
Herinner jij je die pladijzen
nog? Wie heeft ze van de kar
geworpen? Hij! En welke nar
liep er dan achter, heeft ze op-
geraapt en in zijn strot gestopt?
Jij! En wat heb je overgelaten
voor hem? Niks, tenzij wat graten!
Zo groot is je liefde voor Reynaert!
Of ben je dat vergeten, lafaard?
En dan dat lekker stukje spek,
dat jij volledig in jouw bek
gestoken hebt? Ook vergeten,
zeker? Toen hij wilde weten
waar zijn aandeel in de buit
was, lachte jij hem vierkant uit:
'Reynaert, mooie jongeling,
het touwtje waar het spek aan hing
is lekker vet! Hier! Zuig eraan!'
Hij had het meeste werk gedaan,
maar veel heeft dat niet opgebracht,
behalve dan dat hij een nacht
in een zak gestoken en geslagen
is! Dat moest mijn oom verdragen
door de schuld van Isengrin,
dàt en honderd andere dingen!
Alsof dat niet genoeg was, heren,
komt hij onbeschaamd beweren
dat zijn vrouw verkracht is! Maar
dat is absoluut niet waar!
Die twee, die houden van elkaar!
Het is al meer dan zeven jaar
dat Reynaert in 't geheim intiem
is met de vrouw van Isengrin.
Hij heeft alles wat hij wou
verkregen van de schone vrouw
Haersinde, maar alleen door liefde!
Zij heeft gedaan wat hem beliefde.
En wat dan nog? Wie sterft van seks?
Vanwaar die klacht? Ik sta perplex.
Ook Cuwaert maakt in zijn beklag
van een scheet een donderslag.
Als hij zijn les niet goed geleerd
heeft, is het toch niet zo verkeerd
dat Reynaert, die zijn leraar is,
hem straft? Of is dat ook al mis?
Courtois huilt nog om een saucisse
die hij ooit verloren is.
Maar die klacht is al weerlegd,
want er is hier net gezegd
dat die worst van hém niet was.
'Gestolen goed gedijt niet!' da's
toch algemeen geweten? Kunnen
wij het Reynaert niet meer gunnen,
dat hij 'n gestolen worstje haalt?
Is dat nu ook al illegaal?
Sinds de koning een bestand
heeft afgekondigd in dit land
nopens vrede en rechtszekerheid,
is Reynaert de rechtvaardigheid
zelve. Weet u hoe hij leeft?
Hij is een kluizenaar. Hij heeft
alleen een haren boetekleed
aan, op zijn blote huid, en eet
-Getuigen zeggen dat het waar is-
al maanden zuiver vegetarisch.
Hij heeft Malcroys, zijn oude thuis,
verlaten voor een arme kluis.
Hij, die ooit kasteelheer was,
leeft nu alleen van caritas!
Hij heeft geen bezittingen
en leeft alleen van schenkingen!
Bleek is hij. Hij leeft ascetisch,
vast, doet boete, handelt ethisch,
en voor al wat misgelopen is
zoekt hij oprecht vergiffenis.'
Onder Grimbeerts retoriek
zag het aanwezige publiek
Cantecleer de berg afkomen.
Hij had een draagbaar meegenomen,
waarop een dode kip lag: Coppe.
Reynaert had ter hoogte van de krop
haar hals en hoofd eraf gebeten.
Dat moest en zou de koning weten.
Men zag Canteclaar daar gaan
en droevig met zijn vleugels slaan.
Naast de draagbaar, langs weerszijden
zag men bekende hanen schrijden:
Cantaert, naar wie het potente
vriendje van mevrouw Alente
is genoemd, en aan de andere kant
dan de beroemde haan Crayant,
ook een klepper van formaat,
De meest bekroonde laureaat
was hij van pool tot evenaar.
Ze droegen elk een kandelaar,
die in hun gevouwen handen
met een helder lichtje brandde.
Twee broers van Coppe hadden groot
verdriet om Coppes vroege dood.
'O wee! Ons zusje,' riepen zij,
'O-wee! is dood! Heb medelij...'
De dragers waren Pinte en Sproete,
en het was hun zwaar te moede:
zij hadden hun zusje verloren.
Mijlenver kon men ze horen,
zo luid was hun rouwbeklag.
De stoet bereikte nu de hofdag.
Cantecleer sprong in de kring
en zei: 'Mijn Heer en Koning!
In naam van God en zijn genade
vraag ik u, of u de schade,
die Reynaert mij en al de mijnen
die op dit proces verschijnen
heeft aangedaan, vergelden wil!
De eerste dagen van April,
toen de winter was geweken
en men langs velden, bos en beken
bloemetjes zag openbloeien,
zag ik mijn familie groeien.
Ik was trots op mijn geslacht:
jonge zonen, minstens acht
en jonge dochters, zeker zeven!
Zij hadden allen zin in 't leven.
Rode had ze uitgebroed,
en in wijsheid opgevoed.
Zij waren rond en kerngezond
en liepen op een mooi stuk grond,
dat omheind was met een muur.
Op het erf stond ook een schuur
met heel wat aggressieve honden,
die rovers naar het leven stonden.
Daarom waanden wij ons veilig.
Maar Reynaert, dat schijnheilig
dier, kon uiteraard niet pikken
dat hij geen van ons kon strikken.
Hij belaagde ons voortdu-
rend, liep gedurig rond de muur,
zonder succes! Van zodra
de honden Reynaert in de ga-
ten kregen, gingen ze hem achterna.
Dat is hem op een keer bijna
fataal geworden. Hij is onzacht
aangepakt, vlakbij de gracht.
Het heeft daar toen nogal gestoven!
Ik kan nog altijd niet geloven
dat die vervloekte moordenaar
ontsnapt is. Maar helaas, 't is waar.
Een tijdlang zagen wij hem niet,
tot hij onlangs, als heremiet
gekleed, opeens op onze drempel
stond. Hij toonde mij uw stempel
en uw zegels aan een brief.
Die moest ik lezen, zei de dief.
Dat deed ik en ik had de indruk
dat het officiële stuk
bepaalde, dat bij koninklijk
besluit voortaan in heel het rijk
een algehele vrede heerste
tussen alle soorten beesten.
Hij beweerde al een jaar
te leven als een kluizenaar
en zich te hebben gekastijd
voor zijn zielezaligheid,
uit vrees voor God en voor diens straf.
Hij toonde mij zijn pelgrimsstaf
en -mantel, die hij in Elmare
had gekregen, en zijn haren
boetekleed. 'Heer Cantecleer,'
zei hij : 'U hoeft voortaan niet meer
in angst en zorg te zijn om mij.
Ik heb op een paterspij
gezworen alle vlees te derven.
Ik word oud, zal weldra sterven
en moet alle aandacht schenken
aan mijn ziel en God gedenken.
Ik heb nu andere bezigheden:
Ik moet een hele reeks gebeden
zeggen, elk uur van de dag.'
Hij wenste mij een goeie dag
en ging een eindje verder zitten
bij de haag om er te bidden.
Ik was blij. Ik heb een zucht
geslaakt en ik ging opgelucht
en onbevreesd met al mijn spruiten
voor een wandeling naar buiten.
De vreugde was van korte duur,
want eventjes voorbij de muur
kwam Reynaert achter ons gelopen.
Hij was door de haag gekropen
om ons de terugweg af te snijden.
Ik kon helaas niet meer vermijden
dat hij er één heeft uitgepikt,
vermoord, verscheurd en doorgeslikt.
En dat was nog maar het begin
van onze lange marteling.
Sinds die dag had hij de smaak
te pakken. 't Was vergeefs gewaakt!
Geen hond kon ons sindsdien beschermen!
U moet zich over ons ontfermen!
Hij begon ons alle dagen
sluw en listig te bejagen.
Ik zag mijn aantal kinderen
dag na dag verminderen,
tot er van 15 exemplaren
nog maar 4 in leven waren.
Tel het na en u kunt weten
hoeveel hij er heeft opgegeten.
Gisteren gingen alle honden
Reynaert achterna. Ze konden
Coppe wel recupereren,
maar zij is dood! Mijne heren,
ik klaag dit aan, met diepe pijn.
Mijn heer, ontferm u over mij!
De koning sprak: 'Grimbeert de das!
Uw oom, die kluizenaar was,
heeft zo te zien zijn best gedaan!
Ik zweer dat hem dat duur te staan
zal komen. Luister, Cantecleer,
ik vind bijna geen woorden meer.
Uw lieve dochter is gestorven.
Laat God maar voor haar zieltje zorgen.
Wij mogen haar niet langer houden
en moeten nu op Hem vertrouwen.
Laat ons de vigilien zingen
en haar dan tesamen brengen
naar haar laatste rustplaats, en eren.
Daarna zal ik met deze heren
overleggen en bespreken
hoe wij ons het beste wreken
op Reynaert, voor die moord.'
Na dit ingetogen woord
beval hij alle hovelingen
de vigiliën te zingen.
Zo gezegd en zo gedaan.
Men hief terstond een treurzang aan
en startte met een hoge do
het 'Placebo domino'.
Hadden we een uurtje tijd,
dan had ik deze plechtigheid
graag wat uitvoeriger beschreven:
wie de tekst heeft voorgelezen,
wie gezongen heeft en zo,
maar kom! Na de vigilio
lei men Coppe in een graf
dat met zorg gegraven was
onder een linde in 't gazon.
Op de marmeren grafsteen stond
een tekst, waarop de wandelaar
kon lezen wie de eigenaar
was van het graf, en ook de reden
waarom die ooit was overleden.
Op de mooie marmeren zerk
stond in puntgaaf beitelwerk:
'Hier ligt begraven Coppe -RIP-
een eminente scharrelkip.
De vos Reynaert beet ze dood.
Het verdriet om haar was groot.'
Toen Coppe onder de zoden lag
liet de vorst het wangedrag
van Reynaert uitgebreid bespreken.
Hij vroeg hoe men zich best kon wreken
voor die afschuwelijke zonde.
Na een consultatieronde
kreeg de koning dit advies:
hij moest Reynaert zonder tijdverlies
sommeren zich bij 't hof te melden,
en dreigen dat hij 't zou ontgelden
als hij te laat zou durven komen.
Er werd eenparig aangenomen
dat Bruin de beste bode was.
De koning vond dat erg gepast
en zei daarom tot Bruin, de beer:
'Met de dagvaarding, mijnheer,
belast ik u nu officieel.
Maar ik vraag u heel formeel:
wees geweldig op uw hoede,
want Reynaert is een hele goede
intrigant. Hij zal liegen,
smeken, en u zelfs bedriegen
met zijn mooie praatjes. En -bij God-
als 't lukt, houdt hij u voor de zot!'
Bruin zei: 'Sire, stop met preken!'
Als hij met met zijn vossenstreken
vangt, dat de duivel mij dan haalt!
Ik zet hem alles dik betaald
zodat hij de looser is!
Bespaar mij uw bekommernis!'
Bruin was zeker van zijn stuk...
maar liep toch in zijn ongeluk.
Bruin de beer gind dus op pad,
een heel klein beetje boos omdat
de koning twijfels had omtrent
zijn moed, zijn kracht en zijn talent.
Alsof hij zich door een vos
zou laten vangen. Uit het bos
gekomen kwam hij aan de heide.
Reynaert had daar een misleidend
web van paden uitgebouwd,
want hij verliet al eens het woud
als hij op roof- of strooptocht ging.
Er lag een grote heuvel in
dat woest gebied. En als je
Manpertuus wou vinden was je
verplicht om naar de top te gaan.
Bruin begon er dus maar aan.
Huizen had Reynaert meer dan veel,
maar Manpertuus was het kasteel
dat bij gevaar en grote nood
het best van al bescherming bood.
Vandaar dat Reynaert momenteel
zijn domicilie had in dit kasteel.
Toen Bruin de beer er arriveerde
en de poort gedetecteerd
had waarlangs Reynaert binnenging,
ging hij rustig voor de vesting
zitten op zijn berenstaart
en zei: 'Zeg, bent u thuis, Reynaert?
Tot u spreekt Bruin, de koningsbode.
U wordt op een proces ontboden
en als u er niet heen wil te gaan
om voor het hof terecht te staan
zodat de wet kan zegevieren
en er onder alle dieren
vrede heerst, wordt u geradbraakt!
De balans is gauw gemaakt.
Ik raad u aan om mee te komen!'
Reynaert lag juist wat te dromen
in het poortgebouw, een plekje
waar hij dikwijls lag: zijn stekje
om te zonnen in de lente.
Van bij het eerste woord herkende
hij de stem van Bruin en vlug
trok hij zich in zijn burcht terug.
Veilig in zijn diepste kelder
zocht hij naar een helder
plan om Bruin een goeie peer
te stoven, zonder zelf zijn eer
op het spel te zetten. Reynaert
vond iets voor die gulzigaard!
Vriendelijk repliceerde hij:
'Ik dank u, goede vriend van mij,
voor de raad die gij mij geeft.
Maar uw opdrachtgever heeft
u toch een slechte dienst bewezen
door u van zover naar deze
hoge berg te laten reizen.
Kijk, gij komt mij op iets wijzen
dat ikzelf wel had gedaan,
had mijn buik het toegestaan!
Het is geen aangename kwestie,
maar ik heb een indigestie
van een vreemd en nieuw gerecht.
Ik voel mij ongelooflijk slecht.
Ik kan niet zitten en niet staan.'
'Reynaert, wat heb jij gedaan?
'Ach, Bruin, ik heb bedorven spul
gegeten. Ja, een arme knul
als ik - dat moogt ge weten -
moet soms vieze dingen eten.
Mijn voedsel is niet van een koning:
een grote voorraad verse honing
is alles wat ik heb, mijn vrind.
En als ik echt niks anders vind,
dan moet ik van die rommel vreten,
Van zodra ik heb gegeten
word ik ziek van ongemak!'
Bruin aanhoorde dit en sprak:
'Help me, lieve vos Reynaert!
Is honing jou maar zoveel waard?
Ik stel die zoetigheid op prijs:
het is zowat mijn lievelingsspijs.
Ik houd er ongelooflijk van!
Als jij er mij helpt vinden, man,
dan zal ik, Reynaert, lieve neef,
dan zal ik jou zo lang ik leef,
met heel mijn hart beminnen!
Reynaert, help mij honing vinden!'
'Bruin, gij kletst maar uit uw nek!'
'Maar nee, Reynaert! Ik zou wel gek
zijn dat te doen! Ik meen elk woord!'
'Bruin, heb ik dat goed gehoord?'
zei Reynaert: 'Kom, zeg mij gerust
of ge echt wel honing lust.
Als ik u daar plezier mee doe,
dan moogt ge er tot barstens toe
van eten! Gij zult straks wel zien
dat er eten is voor tien!'
'Voor tien? Dat is wat overdreven.
Je mag mij alle honing geven
die je van hier tot Portugal
kunt vinden, Reynaert, en ik zal
die -daar durf ik op wedden-
in mijn eentje wel verzetten.'
Reynaert zei: 'Maar Bruin, wat zegt gij?
Kijk, Lamfroit, woont hier dichtbij.
Hij is wat simpel, maar die man
heeft zoveel honing! Niemand kan
die eten, in geen jaar of zeven.
Ik wil u al die honing geven,
als gij voor mij ten beste spreekt.'
De hongerige Bruin bezweek
en hij beloofde eeuwig trouw
te zijn aan Reynaert. Ja, hij zou
zijn beste vriend, zijn kameraad,
zijn steun zijn en zijn toeverlaat,
als hij die honing maar kon krijgen!
Reynaert lachte luid -vaneigen-
en zei: 'Beroemde held! Ik wou
dat God mij ook eens zou
verwennen zoals hij nu doet
met u! Hij schenkt u in Zijn goed-
heid minstens zeven vaten honing!'
Bruin was zo geweldig in
zijn nopjes, dat mijnheer begon
te lachen tot hij niet meer kon.
Reynaert dacht: 'Ik heb de indruk
-als mijn plan tenminste lukt-
dat gij binnenkort nog zeer
veel harder zult gaan lachen, beer!'
Na dit gesprek kwam Reynaert uit
zijn vossenburcht en hij zei luid:
'Nonkel Bruin, van harte welkom!
De zaak zit zo: het lijkt mij stom
om hier nog lang te blijven staan.
Volg mij maar, ik zal u voorgaan
langs dit verborgen slingerpad
en ik beloof u plechtig dat
-als alles volgens plan verloopt-
gij meer zult krijgen dan gij hoopt
en meer dan gij zult kunnen dragen.'
Reynaert dacht daarbij aan slagen,
maar dat had de beer niet door.
Zo'n dubbelzinnigheid was voor
die sukkel té geraffineerd.
Hij heeft dan ook zeer vlug geleerd
hoe duur de honing wordt verkocht.
Na een korte wandeltocht
kwam Reynaert met zijn reiskompaan
bij Lamfroits omheining aan.
Als ik juist geinformeerd
ben, was dat een gerenommeerde
timmerman. Hij kende zijn metier.
De man had naast zijn atelier
een hele dikke boseik liggen
die hij met behulp van wiggen
overlangs aan 't splijten was.
In de timmerij komt dat van pas.
De eik had al een grote spleet,
wat Reynaert veel genoegen deed.
Hij zei met een geslepen lachje:
'Kijk eens hier! Nog nooit zag je
zo'n massa bijenhoning, oom!
Kijk eens hier in deze boom!
Er is er ongelooflijk veel.
Probeer dat maar eens in uw keel
en in die buik van u wringen!
Pas op! Ge moet u wat bedwingen!
Ook al lust gij honingraten,
eet voorzichtig en met mate,
anders krijgt ge straks nog pijn.
Het zou voor mij een schande zijn
als u vandaag iets overkwam!'
'Ach, maak je toch geen zorgen, man!'
zei Bruin 'Hou jij me voor een oen?
Alles met maat is mijn blazoen.'
'Gij hebt gelijk. Waarom heb ik'
zei Reynaert 'altijd zoveel schrik?
Allez, vooruit! Kruip er maar in!'
Reynaert dacht: 'Hoera, ik win!'
en Bruin, die de controle was verloren,
stak zijn hoofd tot over de oren
in de boomstam, samen met
zijn voorste poten. 'Opgelet!'
dacht Reynaert. Nauwgezet
sloeg hij de wiggen uit de eik.
Bruin bleef steken in de boom.
Zo heeft de neef zijn eigen oom
in de grootste nood gebracht!
Geen sluwe list of brute kracht
kon hem nog redden uit die klem.
Wat adviseren jullie hem?
Zijn kop zat vast in eikenhout
en dat hij sterk was en stout-
moedig kwam hem niet van pas.
Hij zag dat hij bedrogen was,
begon te brullen en te huil-
en, maar zijn poten en zijn muil
zaten zo onwrikbaar klem,
dat er geen hoop meer was voor hem.
Hij vreesde nooit meer te ontsnappen.
Wat verder, op geen honderd stappen,
verscheen Lamfroit op het toneel.
Hij droeg een bijl en een houweel
over zijn schouder. Luister maar
hoe die brutale Reynaert daar
met zijn eigen oom de draak stak!
'Eet maar voort op uw gemak!
Lamfroit komt aangepaste wijn
serveren bij dit eetfestijn!'
Reynaert trok na deze woorden
snel naar veiligere oorden
en een ogenblik nadien
kreeg Lamfroit de beer te zien.
Hij zag dat hij gevangen
zat en bleef niet langer hangen,
maar liep vandaar in zeven haasten
naar het dorp om bij zijn naaste
buren aan te bellen
en hen hijgend te vertellen
dat er een beer gevangen stond.
Er kwam een boerenleger rond
hem staan. Het dorp was niet te houen:
alle mannen, alle vrouwen,
wilden deze beer te lijf.
De een nam een bezem, de ander een rijf,
een derde een vlegel, een vierde een stok.
Al wat lopen kon, vertrok
en verliet op slag het werk.
De pastoor kwam uit de kerk
gelopen met een crucifix
dat de koster goedschiks kwaadschiks
ingeruild hadde voor een vaan-
del om te steken en te slaan.
De pastoor zijn vrouw, Julocke,
kwam gelopen met de stokken
waarop ze juist aan 't spinnen was.
Voor hen uit, in lichte looppas,
liep Lamfroit, zijn bijl als wapen.
Bruin stond niet bepaald te slapen,
maar toen hij vanop afstand hoorde
dat het dorp hem wou vermoorden,
zette hij alles op alles en sleurde
zo hard hij kon. Maar daarbij scheurde
hij zijn vel. Hij kreeg zijn kaken uit
de klem -dat wél- maar niet zijn huid,
één oor en evenmin zijn wangen.
Die bleven in de boomstam hangen.
Dat deed pijn, en bovendien
was het niet om aan te zien,
zo lelijk was zijn snuit.
Zijn hoofd had hij er nu wel uit,
maar om zijn poten te bevrijden
moest hij de klauwen van zijn beide
voeten trekken, plus de huid.
Op die manier kwam hij eruit.
Hoe kon hij meer vernederd zijn?
Zijn voeten deden zoveel pijn
dat hij nog nauwelijks kon lopen.
Zijn gezwollen ogen dropen
van het bloed. Hij zag geen steek
meer en was helemaal van streek.
Toen, in het strakke tegenlicht,
kreeg hij opeens Lamfroyt in zicht
(want die liep helemaal van voor)
met achter hem mijnheer pastoor
en dan de koster-vaandeldrager.
Daarna volgde, ietwat trager,
geschakeerd van oud naar jong,
het parochiepeloton.
Hekkensluiter was een tante,
stratenoud en zonder tanden.
De moraal van dit verhaal is dit:
Wie diep in de penarie zit
en diep in de ellende
wordt pispaal voor geheel de bende.
Dat ondervond ook Bruin de beer.
Wie ging er tegen hem te keer?
Zij, die niets hadden gedaan
als hij zijn man had kunnen staan!
Het was niet ver van de rivier
dat Bruin, dat ongelukkig dier,
omsingeld werd door heel die bende.
Niemand die genade kende.
Daarmee leek zijn lot bezegeld:
geslagen werd hij en gevlegeld,
bekogeld, beschoten en gepest.
Vooral Lamfroyt deed flink zijn best.
Ene Lottram Lankvoet mik-
te naar zijn ogen met een pik.
Mevrouw Van Vuilmanieren
sloeg met een ijzer op zijn nieren
tot hij piste. En, vol overgave,
lagen Abelquac en Bave
tussen Bruin zijn achterpoten
te vechten voor zijn kloten.
Ludwig met de Lange Neus,
zwaaide nogal furieus
met een soort van hamerslinger.
Ludolf met de Kromme Vinger
deed hem de beweging voor.
Hij was de hoogste in geboor-
te na Lamfroyt. Nummer twee
dus. Hugo met de Kromme Be-
nen was zijn vader, uit Absdale;
zijn moeder kwam in de annalen
als madame Oooooooo-Gaarne,
het licht in meer dan één lantaarn.
Zoveel dames, zoveel heren,
wier naam ik hier niet kan citeren,
mishandelden hem zo verwoed
dat Bruin bijna was leeggebloed.
Hij kreeg dan ook het volle pond
van iedereen die rond hem stond.
De pastoor -een stichtend voorbeeld-
sloeg hem krachtig met het kruisbeeld
en ook de koster met zijn vlag
zat niet verlegen om een slag.
Lamfroyt verkocht hem met veel stijl
een moker van zijn scherpe bijl
en trof hem tussen hals en hoofd.
Bruin tuimelde geheel verdoofd
opzij en zo, op die manier
belandde hij bij de rivier
in een groepje oude wijven!
Hij kieperde die met hun vijven
in het water dat daar liep.
En het water was daar diep!
Eén van hen nu was Julocke.
Wat was de pastoor geschrokken
toen hij zijn vrouw in 't water zag!
Zijn colère was op slag
voorbij. Hij hield op met slaan en
steken. 'Kijk! Parochianen!
Daar drijft mevrouw Julocke
met haar spillen en haar rokken.
Wie voor haar te water gaat,
die krijgt van mij een volle aflaat
en volledige vergiffenis
van alles wat maar denkbaar is!'
Na deze preek liet iedereen
die stakker van een Bruin alleen,
(die was toch zo goed als dood)
en deed wat de pastoor gebood.
Vooraleer ze haar met stokken
uit het sop hadden getrokken,
was Bruin in de rivier gesprongen
en pijlsnel van hen weggezwommen.
De dorpelingen waren gloeiend
kwaad dat Bruin nu, haastig roeiend,
in de stroom wist te ontsnappen,
waar ze hem niet konden pakken.
Ze scholden en ze vloekten luid.
Bruin zocht in het water uit
waar de sterkste stroming was.
Terwijl hij zo aan 't drijven was,
verwenste hij de eikenboom,
die hem zijn oor had afgeno-
men, inclusief zijn beide wangen.
Hij vervloekte in het lang en
in het breed de boze Reynaert,
die hem met zijn bruine baard
zo diep in dat stuk eikenhout
had laten kruipen! Ook Lamfroit,
die de val had klaargezet!
Bruin ging door met dit gebed
tot hij een heel eind afgedreven
was van waar de beer zoëven
nog het dorp in allerijl
verlaten had, ongeveer een mijl.
Hij was moe. Hij had veel pijn,
en viel daarbij bijna in zwijm
door bloedverlies. De zwempartij
bekwam hem slecht en dus zwom hij
aan land en hees zich op de oever.
Jullie hebben nooit een droever
dier gezien dan deze beer.
Hij jammerde en kreunde zeer
en hijgde met verkrampte flanken.
Aan Reynaert had hij dat te danken!
Maar waar had Reynaert uitgehangen?
Hij had een vette kip gevangen,
niet ver van de timmerij,
om vervolgens te verdwij-
nen. Zoals zijn gewoonte was,
had hij zijn prooi in lichte looppas
naar een verre plek gebracht,
waar niemand zomaar onverwachts
voorbij zou komen. Eenzaamheid
is synoniem voor veiligheid!
Vervolgens had hij gedineerd
en heel de kip geconsumeerd.
Met een overvolle maag
kwam hij daarna de berg omlaag
langs een goed verborgen pad.
Geheel verzadigd! Maar, omdat
het weer zo mooi was en zo heet,
liep hij zich nogal in 't zweet.
Het water leekte van hem af!
Geen wonder dat hij zich begaf
naar de verfrissende rivier.
Hij danste bijna van plezier,
zo blij was hij. En dat met reden!
Hij dacht met zekerheid te weten
dat Lamfroyt de beer verslagen
en als trofee naar huis gedragen
had. 'Awel, ik ben content!'
zei hij. 'Mijn grootste opponent
heb ik vandaag geliquideerd,
maar ikzelf ben ongedeerd
en niemand kan mij ooit iets maken!
Ge zoudt van minder in vervoering raken.'
Zo liep hij in zichzelf te praten,
toen hij, beneden aan het water,
Bruin zag liggen. Wat een klap!
Op slag veranderde zijn blijdschap
in verdriet en ergernis.
Zijn gemoedsgesteltenis
sloeg om in haat en nijd.
Hij riep: 'Vermaledijd,
Lamfroyt, dat moet ge zijn!
Ge zijt nog dommer dan een zwijn!
Lamfroyt, gij hoerenzoon!
Wat is dat voor een niveau!
Gij krijgt van mij - hoe kan dat nu? -
een beer cadeau, maar hij onstnapt u!
Hoeveel vette koteletten
hadt gij op tafel kunnen zetten!
Stommerik! Beseft gij wel
dat gij een kostbaar berenvel
in handen had, maar dat gij, duts,
het allemaal weer hebt verprutst!'
Na deze kleine scheldtirade
liep Reynaert door tot aan het water
om te zien hoe Bruin het stelde.
Toen hij de door pijn gevelde
beer zag liggen op de grond
voelde Reynaert zich terstond
weer blij. Hij schold hem flink de huid
vol, lachte hem ook vierkant uit.
'Eerwaarde Heer, Dieu vous salut!
Kent u Reynaert nog? Welnu,
hier is hij! Ja, bekijk hem maar:
de rosse schelm, de gulzigaard!
Zeg mij eens, eerwaarde vriend,
-bij God de Vader die gij dient-
welke kloosterorde vraagt
u dat ge zo'n rood kapje draagt ?
Zijt ge abt? Of kardinaal?
Dan heeft men u toch lelijk kaal
geknipt en iets te diep geschoren:
Gij zijt zelfs een stuk oor verloren!
Hebt ge uw handschoen uitgedaan?
O, ik zie het! Gij zult klaarstaan
om de avondmis te zingen!'
Bruin wou hem de nek omwringen,
maar hij kon zich nu niet wreken.
Hij voelde dat zijn hart zou breken
en sprong terug in de rivier,
omdat hij van dat smerig dier
geen woord meer wilde horen.
Zo dreef hij eenzaam en verloren
weer stroomafwaarts. Op het zand
kroop hij tenslotte weer aan land.
Maar hoe kwam Bruin nu naar het hof?
Zelfs als de hele wereld hem dat of-
fer had gevraagd, er was geen denken aan
dat hij te voet had kunnen gaan.
Hij had de klauwen en de sokken
van zijn voeten afgetrokken.
Daarom zocht hij intensief
naar een geschikt alternatief
om toch op weg te kunnen gaan.
Luister hoe hij dat gedaan
heeft! Hij is zittend op zijn krent
met schaamte en ressentiment
op zijn staart beginnen glijden.
Als hij moe was van dat sliden,
begon hij op de grond te rollen.
Na een kilometer tollen
naderde hij toch het hof.
Eerst werd nog getwijfeld of
het wezen dat daar in de verte
rollend waargenomen werd
echt wel Bruin de beer kon zijn.
De koning kromp ineen van pijn,
want hij herkende zijn sergeant
direct: ''t Is Bruin, mijn rechterhand!'
riep hij. 'Maar, kijk, zijn hoofd is rood!
Hij is gewond! Straks gaat hij dood!
Och God! Wie heeft hem zo mismaakt?'
Toen Bruin tot bij zijn vorst geraakt
was, deed hij kreunend zijn beklag.
Hij was helemaal van slag
en zei: 'Ach, koning, edele heer!
Wreek mij toch en red uw eer!
Zie wat dat boosaardig dier
uw arme dienaar met plezier
heeft aangedaan: mijn mooie wangen
en mijn oor zijn blijven hangen
in een boomstam. Door zijn schuld!'
De koning zei: 'Als ik dit duld,
dan mag men mij terecht verdoemen!'
Hij begon de naam te noemen
van de hooggeplaatste heren
die hem moesten assisteren
in de koninklijke raad.
Daarin werd besproken hoe de wandaad
best bestraft kon worden. Praktisch
unaniem kreeg Nobel het advies
dat het het beste was dat Reynaert
voor een tweede keer gedagvaard
werd, om beide partijen aan
het woord te horen. Men gaf aan
dat Tybeert, als de koning wou,
de dagvaarding wel brengen zou.
De kater was niet sterk, maar slim.
Daar zag de koning wel iets in.
Hij sprak alsvolgt: 'Mijnheer Tybeert,
ga op weg! En als je terugkeert,
zorg dan dat Reynaert met je meekomt.
Sommigen in dit halfrond
beweren dat hij weliswaar
een beetje agressief is, maar
graag zal doen wat jij hem aanraadt.
Als hij niet wil, dan ben ik kwaad.
Het zou voor zijn familie-eer
een schande zijn als hij een derde keer
moest opgeroepen worden. Ga!'
Tybeert zei: 'Maar Sire, denk toch na!
Ik ben een klein en weerloos dier.
Bruin, die sterk is, groot en fier,
heeft hem niet kunnen overwinnen.
Hoe moet ik het dan beginnen?'
De koning sprak: 'Mijnheer Tybeert,
Jij bent wijs en hooggeleerd.
Dat jij niet groot bent, dat is waar,
maar soms krijgt men iets voor mekaar
met wijsheid, wat met brute kracht
nooit tot stand zou zijn gebracht.
Ga daarom! Gehoorzaam mij!'
Tybeert sprak: 'God sta mij bij,
zodat ik deze klus kan klaren!
Ik waag mij aan een avontuur
waar ik maar weinig moed uit puur.
Ik hoop dat God mij zal bewaren!'
En zo ging Tybeert dus op stap
voor iets wat hem met weinig blijdschap
vulde. Op de weg gekomen
zag hij ver boven de bomen
een Sint-Maartensvogel komen.
Dat verheugde hem ten zeerste
en hij riep: 'Kom hier, gij beestje!
Vlieg eens langs mijn rechterzijde!'
Maar het beest vloog met een wijde
boog tot in een lage houtkant,
langs de -verkeerde- linkerkant!
Dat voorspelde niet veel goeds,
dacht Tybeert met bezwaard gemoed.
Als hij mooi langs rechts gekomen
was, zou dat een gunstig omen
zijn geweest, maar nu was hij
de wanhoop haast nabij!
Toch probeerde hij zo goed
en kwaad het ging de frisse moed
erin te houden, en hij pepte
zich een beetje op. Hij repte
zich gezwind naar Manpertuis
en vond er Reynaert voor zijn huis
staan, zelfvoldaan en onbewogen.
Tybeert sprak hem aan: 'God moge
je een goede avond geven!
De koning staat je naar het leven
als je niet meekomt naar het hof!'
Reynaert zei: 'Onovertrof-
fen held! Van harte welkom! Neef,
dat God u roem en voorspoed geeft,
dat wens ik u in ruime mate!'
Ach, wat kon Reynaert toch mooi praten
en een goede indruk maken!
Maar boosaardig was zijn hart,
zoals Tybeert tot zijn smart
zal ondervinden, voordat deze
regels nog ten einde zijn gelezen.
Reynaert zei: 'Ik wil, Tybeert,
dat gij vannacht bij mij logeert.
Morgenvroeg ga ik gedwee
met u naar koning Nobel mee.
Want, Tybeert, er is momenteel
niemand die ik meer vertrouw
in mijn familiekring dan jou!
Bruin is hier geweest, de beer,
maar die ging hier nogal tekeer!
Het leek mij zo'n brutale macho,
dat ik voor geen duizend euro
met hem op weg had durven gaan.
Maar met u durf ik het aan:
morgenvroeg, bij dageraad.'
Tybeert zei, 'Dat lijkt me laat.
't Is beter dat je nu direct
vanavond al naar 't hof vertrekt.
Waarom tot morgenvroeg gewacht?
De volle maan schijnt hier vannacht
zo klaar dat het wel daglicht lijkt.
Dat is, als je het goed bekijkt,
toch ideaal voor onze reis!'
'Neenee,' zei Reynaert eigenwijs
'Langs de nachtelijke wegen
komt ge van die types tegen
die overdag wel vriendelijk zijn,
maar 's nachts is het venijn!
Gij logeert vannacht bij mij!'
Tybeert zei: 'Wat eten wij,
als ik hier zou blijven slapen?'
'Ge moet u echt geen zorgen maken,
neef. Het zijn wel slechte tijden,
maar ik kan u toch verblijden
met een stukje uitermate
smakelijke honingraten.
Wel, wat zegt ge? Lust ge dat?'
Tybeert zei geschrokken: 'Wat?'
Heb jij niets anders meer in huis?
Geef mij maar een vette muis
of iets anders van dien aard!'
'Een vette muis?' zei Reynaert,
'Tybeert, heb ik goed gehoord?
Dat kan. Er woont hier een pastoor
en in die man zijn schuur daar huizen
zo verschrikkelijk veel muizen,
dat geen wagen ze kan dragen.
Ik hoor die man zo dikwijls klagen
dat ze hem nog doen verhuizen!'
'Reynaert, zijn daar zoveel muizen?
Bij God! Ik wilde dat ik daar
al was!' 'Maar, 'Tybeert, is dat waar?
Wilt gij muizen?' 'Ja, en hoe!
Reynaert, zwijg erover, toe!
Muizen zijn mijn favoriet
menu. Ach, weet jij dat dan niet?
Er zit meer smaak in dan in wild!
Bevredig mij toch, als je wilt,
en breng mij naar dat eetfestijn!
Ik zal je eeuwig dankbaar zijn,
al had jij mijn papa vermoord
en al wie tot mijn huis behoort.'
'Zeg, neef, houdt gij mij voor de zot?'
'Maar nee, Reynaert! Maar nee, begot!'
'Tybeert! Had ik dat geweten,
hadt gij u hier vol gegeten!'
'Dat bestaat niet, Reynaert. Vol?'
'Tybeert, zegt ge dat nu voor de lol?'
'Maar nee, Reynaert, ik zweer het!
Zo'n heerlijk muisje, lekker vet,
dat ruil ik voor geen kilo goud!'
'Ja, als ge zó van muizen houdt,
dan toon ik u nu dadelijk
die schuur waar gij u smakelijk
te goed kunt doen voordat wij scheiden!'
'Reynaert, jij mag mij zelfs leiden
naar het verre Montpelier.' 'Komaan,
wat staan wij hier dan nog te staan?'
zei Reynaert, 'Kom, we gaan!'
Zij gingen dus onmiddellijk
op pad en dat gezamenlijk.
Reynaert, als een goede herder,
ging voorop. Ze stapten verder
tot ze aan de lemen muur
van de bewuste voorraadschuur
gekomen waren. Daags te voren
was Reynaert daar al ingebroken
en had daarbij een haan genekt.
Toen die diefstal was ontdekt,
was de zoon van de pastoor
zo boos geworden dat hij voor
het gat direct een strik gezet
had. Daarmee wilde Martinet
de sluwe kippenrover vangen,
want die moordenaar moest hangen!
De sluwe Reynaert wist dat en hij zei:
'Tybeert, lieve neef van mij,
gij zijt lenig. Weet ge wat?
Kruip naar binnen langs dit gat,
en grabbel in het rond! Hoor
ze piepen! Pak ze! Ga ervoor!
Kom weer buiten als ge vol
zit. Ik blijf zitten voor dit hol,
en houd voor u de wacht.
Wij zijn een stevig team vannacht.
Morgen gaan we dan naar 't hof.
Allez, ge zijt zo kort van stof!
Waar wacht ge op! Vooruit! Ga eten!
Daarna zult ge, zeker weten,
bij mijn vrouw gastvrijheid vinden.
'Moet ik langs dit gat naar binnen,
Reinaert? Is dat wel verstandig?
Pastoors zijn naar ik weet erg handig
in het zetten van een strik!'
'Welwel, Tybeert, bangerik!
Sinds wanneer doet gij zo flauw?'
Tybeert schaamde zich en gauw
sprong hij door het gat naar binnen.
Maar voor hij zich goed kon bezinnen,
zat hij met zijn kattenkop
gevangen in een vossenstrop.
Wat lachte Reynaert hem toen uit!
Tybeert schrok en sprong vooruit
waardoor de strik nog vaster liep.
Hij stikte bijna. In paniek
gilde hij zijn doodsangst uit.
Hij deed dat zo verschrikkelijk luid
dat zijn jammerlijk geblaat
te horen was tot ver op straat.
Daar stond Reynaert op de stoep
en riep: 'Vindt ge ze goed
die muizen? Zijn ze lekker vet?
Tybeert, als die Martinet
nu wist dat ge aan tafel zat
en zomaar van zijn wildbraad at,
dan zou hij u een sausje maken
dat u zeker goed zou smaken!
t'Is zo een sympathieke jongen!
Apropos- zo mooi gezongen
als vandaag hebt ge nog nooit!
Heeft het hof dat al gehoord?
Ik wilde, Tybeert, dat ge daar
met Isengrin, de moordenaar,
aan dezelfde tafel zat!'
Ja, Reynaert had plezier om wat
er binnen met zijn gast gebeurde.
Tybeert riep zo hartverscheurend
luid dat Martinet ontwaakte
en een kreet van blijdschap slaakte!
'Ha, ha, God dank!' riep Martinet
'Ik heb mijn valstrik goed gezet.
De dief is er nu in gelopen!
We zullen hem die haan verkopen!'
Hij stak een strootje in het vuur
om licht te maken en natuur-
lijk wekte hij direct zijn vader,
moeder, broers en zus. 'De dader
is gepakt!' riep Martinet.
Iedereen sprong vlug uit bed
en wou meteen participeren.
De pastoor wou ook presteren
en kwam uit bed, volledig naakt,
zoals God hem had gemaakt.
Terwijl zijn zoon al in de schuur
was, liep hij haastig naar het vuur
en greep de spinstok van zijn vrouw.
Julocke van haar kant stak gauw
één van de offerkaarsen aan.
De pastoor kwam naast Tybeert staan
en sloeg hem met Julockes spinstok
ongenadig op zijn kop,
terwijl hij nota bene zonder gêne
poedelnaakt stond op de scène!
Tybeert incasseerde slag
na slag, terwijl hij weerloos lag.
Niemand spaarde hem, wel neen!
Martinet wierp met een steen
zijn linkeroog uit. De pastoor, die
bloot stond in zijn volle glorie,
hief voor een enorme slag
zijn arm. Toen Tybeert zag
dat hij bijna was uitgeteld
vermande hij zich als een held
en zette de pastoor te schande!
Met zijn klauwen en zijn tanden
in de aanslag sprong hij in de reet
van de pastoor en beet
zich vast in 't klokkenspel,
dat wordt gebruikt bij 't liefdesspel.
Een dingetje viel op de vloer...
Julocke, diep geschrokken, zwoer
bij de ziel van haar papa
dat zij onmiddellijk bijna
haar hele jaarinkomen
veil had, als zij kon bekomen
dat dit schandelijk malheur
nooit ofte nimmer was gebeurd!
'Verduiveld, jongen! Martinet,
waarom heb jij die strik gezet?
Zie uws vaders ingewanden!
Wat een affront en wat een schande!
Al herstelt zich die kwetsuur,
hij zal geen passie en geen vuur
meer hebben in de liefde. Ach!'
Reynaert stond nog steeds op wacht.
Hij had de jammerklacht gehoord
en lachte dat zijn achterpoort-
je ervan openging en kraakte.
Dit was humor die hij smaakte!
'Zwijg, Julocke, zoete vrouwe,'
zei hij, 'hou toch op met rouwen,
Maak er zo geen drama van!
Het is geen nadeel dat uw man
één klepel mist. Hij zal voortaan
een stuk relaxer aan het werk gaan.
Laat uw gejammer achterwege!
Als hij geneest, zal het een zegen
zijn dat hij mag luiden met één klokje!'
Zo trootstte Reinaert vrouw Julocke,
die hysterisch stond te wenen.
De pastoor kon op zijn benen
niet meer staan en viel in onmacht.
Zij droeg hem met enorme kracht-
inspanning rechtstreeks naar zijn bed.
Reynaert keerde daarop met
plezier terug naar huis en liet
de kater achter in paniek
en grote doodsangst. Alhoewel
Tybeerts toestand erg penibel
was, zag hij dat allen rond
de gevallen priester stond-
en en dat niemand op hem lette.
Hij greep zijn kans en haastig zette
hij zijn tanden in de koord
en beet ze zomaar middendoor.
Haastig sprong hij door het gat
en ging onmiddellijk op pad
naar de koning en zijn vrienden.
De eerste zonnestralen priemden
door het zachte ochtendrood
toen Tybeert als een zielepoot
bij de koning aan kwam lopen.
Hij had zich nogal laten stropen!
Jongens, wat een nederlaag!
Toen de koning Tybeert zag,
- die laatste had een oog verloren-
liet hij vreselijk van zich horen.
Hij zwoer dit zwaar te zullen wreken!
Hij zou met Reynaert en zijn streken
korte metten maken! Prompt
vroeg hij zijn hoge kroonraad om
advies. Hoe kon men deze laffe
daad van Reynaert best bestraffen?
Iedereen had zo zijn mening
en gaf die mee, ter overweging.
Grimbeert nam het woord, de das,
die zelf een neef van Reynaert was:
'Geachte heren van de raad,
al doet mijn oom misschien veel kwaad,
u moet de wet toch respecteren
en hem driemaal convoceren.
Dat moet zo bij een vrije man.
Daagt hij dan nóg niet op, dan kan
hij schuldig zijn aan al die daden,
waarmee de klagers hem beladen.'
'Maar, Grimbeert, wie moet Reynaert nu
nog dagvaarden, volgens u?'
vroeg de koning. 'Mijne heren,
wie wil hier een oog riskeren,
in een hachelijk avontuur
voor zo'n misdadig creatuur?
Niemand -denk ik- is zo zot!'
Grimbeert sprak: 'Met hulp van God
durf ik deze opdracht aan.
Ik ben dapper. Ik zal gaan,
tenminste als u het gebiedt.'
'Grimbeert, ga! Maar ik wil niet
dat u iets overkomt. Let op!'
'Dat doe ik!' zei de das daarop.
En zo trok hij naar Manpertuis.
Hij vond er de familie thuis.
Zijn oom lag met vrouw Hermelijne
en een nest vol vossenkleinen
in een hol onder de haag.
Eerst zei Grimbeert goedendag
aan zijn oom en aan zijn tante
en dan zei hij: 'Deze toestand,
ben je daarmee ingenomen?
Lijkt de tijd je niet gekomen
om eens naar het hof te gaan
en een eind te maken aan
dat slepend rechtsgeding?
Dit is de derde dagvaarding
en als je morgen niet verschijnt,
dan vrees ik dat de kans verdwijnt
dat je kunt rekenen op clementie.
Dan wordt over een dag of drie
je burcht bestormd. Je wordt gevangen
en standrechterlijk gehangen
of geradbraakt. Geen genade!
Je lieve kinderen en gade
worden dan gegarandeerd
verschrikkelijk vermassacreerd.
Jullie sterven allemaal
en jij ontsnapt in geen geval!
Luister daarom naar mijn raad:
Het is het beste dat je meegaat
naar het hof. Je weet maar nooit!
Als de koning jou aanhoort,
krijg je misschien vergiffenis
en loopt heel die geschiedenis
goed af. En dan verlaat je morgen
't hof, bevrijd van alle zorgen.
Reynaert sprak: 'Ge hebt gelijk.
Alhoewel...als ik bekijk
wie in dat koningsclubje zit
dan geef ik het u zwart op wit:
Die zijn gewoonweg woest op mij.
De kans dat ik het haal is klein.
En toch lijkt het mij beter, vriend,
-of ik het overleef of niet-
voor zo een tribunaal te kiezen
dan alles te verliezen:
mijn kasteel, mijn kroost, mijn wijf
en ook nog eens mijn eigen lijf.
Ik zal de confrontatie aangaan.
Als ge wilt, dan zal ik meegaan.
Luister,' zei hij, 'Hermelijn,
wilt gij voor die kroost van mij
met heel veel liefde zorgen nu,
en vooral, dat vraag ik u
speciaal, voor Reynaerdijn, mijn zoon.
Zijn snorrebaardje staat zo schoon
in zijn gezicht, ge moet eens kijken!
Ik hoop dat hij op mij gaat lijken.
En ook Rosseke, nog zo een dief
met toekomst, die ik innig lief-
heb, als een goede vader doet.
Ik beloof u, ook al moet
ik van u scheiden, dat ik tot
het uiterste zal gaan, bij God!
om levend bij u terug te komen!
Grimbeert, God zal het u lonen!'
Met hoofse woorden nam hij afscheid
en vertrok. Ach, met droefheid
zagen vrouwe Hermelijne
en de welpen hem verdwijnen!
Toen hij vertrok uit Manpertuis,
zagen radeloze huis-
genoten Reynaert van hen weggaan.
Maar hoor wat Reynaert heeft gedaan!
Aangekomen op de hei-
de sprak hij Grimbeert aan en zei:
'Grimbeert, allerliefste neef,
ik zucht van zorgen en ik beef
van schrik. Ik wil biechten. Nu!
Hier ter plekke! Hier, bij u!
Luister, ik verklaar mij nader:
Ik zie geen andere biechtvader
dan u! Als ik voor u beleden
heb wat ik heb uitgevreten,
zal mijn ziel gezuiverd zijn!'
Grimbeert zei: 'Oom Reyn-
aert! Alleen als je mij nu belooft
dat je nooit meer steelt of rooft,
wil ik hier je biecht aanhoren.
Zonder zo'n belofte is't verloren
moeite.' 'Ja, dat weet ik wel,'
zei de sluwe Reynaert snel,
'Grimbeert, geef mij goede raad en
schenk mij alstublieft genade
voor mijn schandelijke daden!
Luister, Grimbeert, dan verstaat ge:
Confiteor, pater, mater
dat ik de otter en de kater
en in casu ook de rest
-mea culpa- heb gepest.'
Grimbeert zei: 'Zeg, spreek jij Frans
of zo, in plaats van Nederlands?
Spreek zó dat ik je kan verstaan!'
Reynaert zei: 'Ik heb misdaan
jegens alle dieren die nu leven.
Vraag God mij te vergeven!
Door mijn schuld heeft nonkel Bruin
nu een bloedkorst op zijn kruin.
Tybeert liet ik muizen vangen,
terwijl ik wist dat hij zou hangen
in de schuur van de pastoor.
Verder schaam ik mij ervoor
dat ik het aantal kinderen
van Cantecleer liet minderen.
Hij beschuldigt mij terecht:
Ik heb er veel omver gelegd.
Zelfs de koning heb ik vaak
gekrenkt en kwaad gemaakt
en ik heb de koningin.
beledigd! Ach, ik hoop dat bin-
nenkort weer goed te kunnen maken!
Ik beken met rode kaken,
dat ik meer lieden heb bedrogen
dan ik kan zeggen en zou mogen!
Isengrin deed ik geloven
dat hij mijn oom was. Daarenboven
wist ik hem te overreden
in Elmare in te treden.
Tot zijn schande, zo bleek gauw,
heb ik hem aan het klokkentouw
gebonden met zijn beide voet-
en. Dat beviel hem blijkbaar goed,
want hij luidde zo extatisch
dat het resultaat dramatisch
was. Hij beierde zo uitermate
luid, dat iedereen op straat en
in het klooster van Elmare
afgelopen kwam en waar-
lijk dacht dat men de duivel hoorde!
Vóór hij in beknopte woorden
gezegd had: 'Ik wil monnik word-
en' was hij al bijna vermoord!
Vervolgens kreeg hij de tonsuur
van mij. Daar denkt hij nu nog zuur
aan terug. Dat weet ik zeker, want
ik heb zijn haar eraf gebrand
zodat zijn huid gekrompen is.
Ik heb hem tot zijn ergernis
ook leren vissen op het ijs.
Hij kon geen kant meer op en is
daar stevig in mekaar geslagen.
Ik bracht hem na een tweetal dagen
naar de paster van Vimblois.
In de hele Vermandois
was geen enkele pastoor
nog rijker. In zijn grote voor-
raadkamer lag het vol met spek.
Echt iets voor een lekkerbek
als ik! Goed verscholen had
ik daar al lang voordien een gat
gemaakt. Ik liet hem kruipen
om te smullen van de kuipen
rundsvlees en het spek. De zot
stak zoveel voedsel in zijn strot
dat hij na gedane zaken
niet meer buiten kon geraken
met zijn dikke buik en maag.
Hij heeft het zich fameus beklaagd
dat hij zoveel honger had
gehad en door dat smalle gat
niet meer naar buiten kon geraken.
Ik begon lawaai te maken
in het dorp met veel tamtam,
want ik had een super plan:
Ik liep naar de pastoor, die -wat
een toeval- juist aan tafel zat.
De pastoor, die had een haan,
die gerust model kon staan
voor al het pluimvee van het land.
Hij was tam, at uit de hand
en zo. Ik nam hem in mijn mond
terwijl hij voor de tafel stond,
voor de ogen van zijn baas!
De priester brulde: 'Galgenaas!
Ik kan mijn ogen niet geloven!
Dat komt mij voor mijn neus beroven
in mijn eigen huis! Sanctus
Spiritus, ik sla hem terminus!
Het zal hem spijten dat hij 't deed!'
Hij nam zijn mes en smeet
me dan de tafel achterna, zo hoog,
dat ze met een grote boog
over mij heen vloog op de vloer
Hij vloekte als een ketter, zwoer
en riep dat ik moest blijven staan.
Hij sprong wild achter mij aan
terwijl hij zwaaide met zijn mes
en ik, ik leidde hem expres
tot bij de plaats waar Isengrin
gevangen zat. De haan zat in
mijn mond, maar ach, wat woog hij zwaar!
Ik kon niet anders dan hem daar
toevallig laten vallen, voor
het gat. 'Voilà!' riep de pastoor:
'Je bent je buit al kwijt, stuk dief!'
Hij brieste. Ik zei 'Alstublief!'
en ging er toen gezwind vandoor!
En toen eerwaarde heer pastoor
zich bukte, zag hij Isengrin.
Wat nu volgt, is wel te voorzien.
De pastoor wierp met het mes
zijn oog uit. En toen kwamen zes
gewapende parochianen
die hem onder handen namen.
Het ging er nogal luid
aan toe. De buren kwamen uit
hun huis en als een lopend vuur-
tje ging het nieuws rond: in de schuur
van de pastoor, daar zat een wolf gevangen,
die met zijn buik was blijven hangen
in het gat. Wat een commotie!
De buurt liep over van emotie
en kwam naar het mirakel zien.
Het spel was uit voor Isengrin.
Hij werd intensief geschopt,
en rondom bont en blauw geklopt.
Hij kon niet eens verhinderen
dat een handvol kinderen
hem een blinddoek omdeed. Zin
of niet, hij had geen keuze, Isengrin.
Ze sloegen hem zo hard met stokken
tot zij hem uit het gat getrokken
hadden. Alles moest hij ondergaan.
Vóór men hem losliet, heeft men aan
zijn hals een zware steen gebonden,
en kort daarop zijn alle honden
blaffend op hem losgelaten.
Hij incasseerde heel wat slagen
zolang hij bij bewustzijn was.
Maar plots viel hij omver in 't gras;
Hij was -zo leek het toch- morsdood.
De vreugde van de jeugd was groot:
Zij dansten, joelden, maakten herrie,
legden hem dan op een berrie
en over struikgewas en hagen
hebben zij hem weggedragen.
Buiten 't dorp is hij een nacht
lang blijven liggen in een gracht.
Joost mag weten hoe hij dat
heeft overleefd. Maar, soit.
De keer daarop beloofde hij
een jaar lang mijn lakei te zijn
als ik hem kippenvlees serveerde.
Terwijl hij met mij meemarcheerde
liet ik hem in 't kort verstaan
dat er twee kippen en een haan
verbleven in een boerderij,
hoog op een hanebalk, vlakbij
een valdeur! Hij geloofde mij!
Ik overtuigde hem dat hij
met mij tot op het dak moest klimmen
en dat hij ginder boven binnen
kon langs het bewuste valluik
en dat hij daar zijn lege buik
met kippenvlees kon vullen.
Hij kon zijn vreugde niet verhullen
en zenuwachtig kroopt hij door
het luik. Hij boog zich dan naar voor
en tastte in het donker rond.
Omdat hij uiteraard niks vond,
zei hij bezorgd: 'Ik vind geen buit!'
Ik zei: 'Nonkeltje, wat steekt gij uit?
Kruip wat verder naar het midden!
Die, die hier het dichtste zitten,
die heb ik vroeger al verschalkt!'
Hij kroop nog verder op de balk
en toen hij ver genoeg was -God,
wat hield ik hem toch voor de zot-
deed ik hem schrikken. De debiel
verloor zijn evenwicht en viel!
Hij tuimelde van hoog in't dak
omlaag en landde met een smak
beneden op de vloer. Iedereen
schoot wakker en er was geeneen
die op dit nachtelijke uur
kon raden, wat er naast het vuur
gevallen was! Ze maakten licht
en kregen Isengrin in zicht.
Ze hebben hem bijna gedood.
Ik heb hem dikwijls diep in nood
gebracht. Maar, wat ik ook
met hem mag hebben uitgespookt,
ik heb toch het meeste spijt
van mijn gebrek aan loyauteit
voor Yswende, zijn mooie vrouw,
waar hij onnoemelijk van houdt.
God moet het mij vergeven!
Ik heb iets met haar bedreven
dat ik liever voor mij had
dan achter mij.' Grimbeert sprak:
'Zeg, als je biechten wil bij mij
om zo van al je zonden vrij
te zijn, wel, spreek dan klare taal.
Wat betekent dit verhaal?'
'Ik heb iets met haar gedaan!'
'Hoe moet ik dat nu juist verstaan?
Ik wil het scherp geformuleerd.'
Reynaert zei: 'Maar, lieve Grimbeert
Mijn tactgevoel is veel te groot
om u hier zomaar bot en bloot
te zeggen dat ik met mijn tante
heb gevrijd. Wij zijn verwanten
en ik wil u niet choqueren.
Zo, dat was het ongeveer, euh,
verder weet ik niets meer nu
en daarom, Grimbeert, vraag ik u
een aangepaste penitentie.'
Grimbeert, vol intelligentie,
brak uit een haag een kleine roede
en gaf hem daarmee veertig boete-
slagen, één voor elke misdaad.
Vervolgens gaf hij hem de raad
zich tot het goede te bekeren
en te vasten en te mediteren,
en te heiligen de dag des Heren,
en iedereen te corrigeren
die naast het rechte pad zou lopen
en eerlijk aan de kost te komen.
Verder liet hij hem beloven
dat hij nooit meer iets zou roven
of zou stelen en voortaan
uitsluitend nog zou denken aan
zijn ziel. Op hoop van zegen
gingen zij daarna hun wegen.
Daarmee was de biecht gedaan
Zij vatten dus hun reis weer aan
en gingen samen naar 't proces.
Nu lag toevallig langs de weg
waarop hun tocht juist was begonnen
een kloostertje van zwarte nonnen,
waar vele kippetjes en hoentjes,
veel hennetjes en veel en kapoentjes
buiten de omheining liepen.
Reynaert was bepaald het type
dat sluw en onbetrouwbaar is.
Hij zei: 'Als ik mij niet vergis,
dan is de kortste weg langs hier!'
Op deze listige manier
bracht hij Grimbeert bij de schuur
waar het pluimvee langs de muur
op wandel was, her en der.
Reynaert zag ze al van ver
en gaf zijn ogen goed de kost.
Daar liep, ietwat apart, een roste
haan, die vet was en ook jong.
Reynaert vloog er met een sprong
op af, zodat de pluimen stoven.
'Maar oom! Zit er bij jou hierboven
soms iets los? Wat ga je doen?'
riep Grimbeert. 'Wil je voor zo'n hoen
hervallen in het zondig leven
waarvoor jij nog maar zoëven
absolutie hebt gekregen?'
Reynaert zei: 'Ach, hou me tegen.
Ik was het weer vergeten, neef.
Vraag God dat hij het mij vergeeft!
Het gebeurt mij nooit niet meer!'
Zij keerden op hun stappen weer,
over een smalle brug. Maar Rey-
naert bleef over zijn schouder kij-
ken naar die malse kippendingen.
Hij kon zich bijna niet bedwingen,
hij verlangde zo, hij snakte...
Als je zijn hoofd had afgehakt
dan was dat rechtstreeks en subietens
terug gevlogen naar die kiekens.
Grimbeert keek naar zijn gelaat
en zei: 'Jij, onbeschaamde veelvraat!
Je kijkt haast scheel van de begeerte.'
Reynaert zei: 'Gij zijt verkeerd!'
Het kwetst mij dat ge zoiets denkt,
terwijl ik aan het bidden ben!
Laat mij twee paternosters lezen
voor de ziel van de gewezen
hoenders en de ganzen, die ik hier
zo dikwijls én met veel plezier
in mijn netten heb gestrikt
en van de nonnen heb gepikt!'
Grimbeert ergerde zich krom
want Reynaert keek voortdurend achterom.
Zo kwamen zij weer op de hoofdstraat.
Reynaert kreeg het langzaam kwaad.
Hij naderde nu snel het hof
en hij wist absoluut niet of
hij het proces zou overleven.
Hij begon zowaar te beven!
Toen aan het hof vernomen
werd dat Reynaert aangekomen
was in het gezelschap van de das,
denk ik dat er niemand was
die geen aanklacht voorbereidde.
Zelfs wie arm was, ziek, of beide,
had het op de vos gemunt.
Reynaert maakte er een punt
van niet te tonen dat hij bang was
en hij zei zelfs tot de das:
'Laat ons midden door het volk gaan!'
Hij nam daarbij een houding aan
van grote superioriteit
als was hij zelf een majesteit
en had hij niets verkeerd gedaan.
Zelfverzekerd ging hij staan
voor koning Nobel en hij zei:
'Dat God, die alle heerschappij
bezit, u roem en eer mag geven
en een lang, gelukkig leven.
Ik groet u, koning! En met recht!
Geen vorst heeft ooit een knecht
gehad zo trouw als ik: altijd
een toonbeeld van loyauteit.
Dat is al meer dan eens bewezen!
Helaas! De meesten hier aanwezig
zouden mij uw vriendschap roven,
als u hun leugens zou geloven.
Maar dat doet u niet! Geloofd
zij God! Het siert gekroonde hoofd-
en dat zij kritisch luisteren
naar wat boze tongen fluisteren.
Niettemin is 't godgeklaagd
dat er aan het hof vandaag
zoveel oneerlijke schavuiten
zijn die zomaar klachten uiten
aan 't adres van iemand die
onschuldig is. Geloof ze niet!
Zij zijn van boosheid zo doortrokken
dat zij kwaad berokkenen
aan wie rechtschapen is. God
moge ze verdoemen tot
in eeuwigheid. Ze zijn het waard!'
De koning zei: 'Wel, wel, Reynaert!
ach, Reynaert, valse opponent!
Dat mooie redenaarstalent
van jou, dat helpt je nu geen zier.
Smeken moet je ook niet hier.
Zo maak je mij niet tot je vriend.
't Is waar, je wou mij ooit van dienst
zijn bij een affaire in de wouden,
maar je hebt je niet gehouden
aan de eed die je gezworen
had.' 'O wee, ik heb zoveel verloren...'
sprak Cantecleer, terwijl hij opstond,
maar Nobel zei: 'Ach, hou je mond,
heer Cantecleer, en laat mij spreken.
Gun mij het antwoord op zijn streken.
Ach, mijnheer de dief, Reynaert,
hoeveel liefde ik jou waard
ben, heb je goed gedemonstreerd
aan mijn bodes: de arme Tybeert
en daarvoor de edele Bruin,
die nu nog bloed heeft aan zijn kruin.
Dat zal ik je nooit vergeven!
Dat betaal je met je leven!
Ik maak er korte metten mee!'
'Nomine Patrum, Christum filie!'
zei Reynaert 'Het kan zijn dat Bruin
nog altijd bloed heeft aan zijn kruin,
maar wat heb ik daarmee te maken?
Mijnheer liet zich die honing smaken
en Lamfroit heeft hem betrapt.
't Is waar, hij is hard aangepakt,
geslagen en ook grof beledigd,
maar als hij zich wat had verdedigd
in plaats van op de vlucht te slaan,
de zaken zouden anders staan!
En wat betreft de kater Tybeert:
als iemand die bij mij logeert
ongevraagd uit stelen gaat
en zo in de problemen raakt,
is dat dan mijn verantwoordelijkheid?
Dan vervloek ik tot in eeuwigheid
mijn lot! Ach, Leeuw, geloof mij vrij:
uw absolute heerschappij
wordt hier door niemand niet betwist.
Wat u als koning ook beslist,
gebeurt, ten goede of ten kwade.
Als u mij koken wilt, of braden,
of ophangen, of mijn ogen uitslaan,
zal ik dat moeten ondergaan.
U zwaait over iedereen de plak.
U bent groot en ik ben zwak.
Uw achterban, die is erg groot;
de mijne klein. Toch is een dood-
straf de verkeerde oplossing
voor dit spijtig rechtsgeding.'
Wie sprong daar op? Belijn de ram
en samen mét hem zijn madam,
het schaap Mie Mèè.
Belijn zei: 'Laten wèè
al onze klachten formuleren.'
Bruin sprong recht met alle beren,
én Tybeert, de gebelgde kater,
én Isengrinus, zijn confrater,
én Fortàdent, het everzwijn
en ook de raaf, heer Tiecelijn,
én Pancer de bever, én Bruneel
de dikke roerdomp, én Rosseel
de eekhoorn, én mevrouw Fluweel
de wezel, en natuurlijk weer
de familie Cantecleer,
met klapperende vleugelslag,
maar ook het fret, Klein Winstbejag.
en allen stapten samen naar
de koning en ze eisten daar
met klem en in het openbaar
de arrestatie van Renard.
Zelden heeft men een pleidooi
gehoord van dieren, dat zo mooi
was, zo ad rem en duidelijk.
Het is helaas onmogelijk
in verzen te reproduceren
hoe scherp zij daar argumenteerden.
Ik kort het daarom ook wat in
voor u. Ach, elke redevoering
was een pareltje op zich.
En zoals de wet verplicht
werd elke aanklacht ook bewezen.
Tot slot vroeg Nobel over deze
boef het oordeel van zijn raad.
De heren eisten dat er dade-
lijk een galg werd opgericht
om die uitzonderlijke booswicht
op te hangen bij zijn keel.
Reynaerts spel leek uitgespeeld.
Toen Reynaert dus veroordeeld was,
verlieten naast Grimbeert de das
ook Reynaerts naaste bloedverwanten
het proces, om de navrante
reden dat zij niet konden gedogen
dat men Reynaert voor hun ogen
op zou knopen als een dief,
al had niet iedereen hem lief.
De koning was een wijs strateeg
en toen hij in de gaten kreeg
dat er zoveel jongelingen
met Grimbeert mee naar buiten gingen,
simpelweg uit sympathie
voor hun familielid, toen dacht ie
‘Dit pak ik beter anders aan, want,
al is Reynaert een flagrante
schurk, zijn familie is erg ruim.'
Hij zei: ‘Isengrin en Bruin,
waarom zo traag en onbeslist?
Reynaert is een specialist-
ontsnapper en de avond valt.
Hij mag in geen geval
een kans om te ontsnappen
krijgen, want hij staat te trappelen
om weg te raken. Als hij vlucht,
dan zien we hem hier nooit meer terug.
Hij moet hangen. Waarom dan
niet nu onmiddellijk? Of kan
dat niet meer vóór de nacht
valt? Isengrin zei heel bedacht-
zaam: ‘Er is hier een galg, dichtbij!
'maar met dezelfde adem zuchtte hij.
Tybeert de kater zei: ‘Isengrijn,
ik weet het wel: je hart doet pijn
en ik begrijp dat ook een beetje.
Maar door Reynaerts list - dat weet je -
zijn Dikke Buik en Grote Balg,
jouw broers, gestorven aan de galg!
Nu is het uur gekomen van
de wraak. Als je een echte man
was, dan was alles al voorbij
en was Reynaert er al bij!
'Isengrin zei tegen Tybeert:
‘Onnodig dat je mij beleert.
Hadden wij hier nu een strop,
dan wist Reynaerts vossenstrot
al lang hoe zwaar zijn billen wegen!
'Reynaert, die tot nu gezwegen
had, zei: ‘Mijne heren, hou
het kort. Kijk, Tybeert heeft een touw
veroverd. Kijk maar rond zijn keel.
Hij heeft er er ongelooflijk veel
voor moeten doen, daar in het huis
van de pastoor. En in zijn kruis.
Dus, Isengrin, niet meer getreurd!
Vandaag valt u de eer te beurt
uw eigen neef, Reynaert de rode,
met eigen hand te mogen doden!
'De koning zei daarop spontaan:
‘Laat Tybeert met u mee gaan.
Laat hem naar boven klimmen met
het touw en delen in de pret.
Vooruit, Tybeert, maak alles klaar!
Verlies geen tijd. Kom, ga nu maar!
'Daarop zei Isengrin tot Bruin:
‘Ik zweer het, bij de kloosterkruin
die boven op mijn schedel staat:
Reynaert heeft de beste raad
gegeven die ik ooit van enig dier
gekregen heb. Hij wil kloosterbier?
Wel, we zullen het hem brouwen!
'Bruin riep: ‘Tybeert, neem het touw en
kom! Wij zetten hem betaald
wat hij met ons heeft uitgehaald:
mijn mooie wangen en jouw oog.
We hangen hem vandaag zo hoog,
dat al zijn maatjes het goed zien!'
‘Komaan! Hij heeft het dik verdiend.
zei Tybeert en hij nam de koord
met een enthousiasme, ongehoord!
'De drie heren die op Reynaert
woedend waren, waren klaar:
de wolf, vervolgens Tybeert,
en dan Bruin, die had geleerd
hoe men het best geen honing steelt.
Isengrin was heel formeel
en vlak voordat hij weg zou gaan
maande hij eenieder aan,
al zijn nichten, al zijn neven,
allen die aan 't hof verbleven,
elke buur en elke gast:
‘Alsjeblief, hou Reynaert vast!
'En Aarseind, zijn echtgenote,
zei hij dat hij ze zou doden
als ze niet bij Reynaert bleef.
‘Ik wil dat je aan Reynaert kleeft,
en geen duimbreed van hem wijkt
niet voor geld en niet voor rijk-
dom, niet door ziekte of door nood.
Je blijft |
Contact: info@veltreinaert.be