Dag altegaderinloggen
login  
wachtwoord
onthoud  
Van den Vos Reynaerde
Ergens in de sinksendagen, toen de bosjes en de hagen vol met groene blaadjes stonden, had koning Nobel doen verkonden dat hij een hofdag houden zou. Hij was eerzuchtig en hij wou nog iets aan zijn imago doen. Alle dieren gingen toen op weg naar 't hof. Ja, iedereen, 't zij groot of klein, behalve één: Reynaert de vos. Die durfde niet. Hij was zó een deugeniet, hij had al zóveel kwaad gedaan en had zó een slechte naam dat hij zich niet meer durfde tonen op de hofdag van de koning. Toen iedereen verzameld was, was er niemand -behalve de das- die niet kwam klagen over Reynaert, die deugniet met zijn grijze baard. De eerste klacht kwam van de kant van Isengrin en zijn verwanten. Zij gingen voor de koning staan en de wolf begon spontaan: 'Mijn heer en meester! Sire! U wordt geëerd onder de dieren, omdat u wijs bent en rechtvaardig. Ik smeek u: is het niet misdadig wat Reynaert mij heeft aangedaan? Hij laat mij aan de schandpaal staan, spot met mij en slaat mij blauw, maar 't ergste is dat hij mijn vrouw verkracht heeft. En voor ze 't wist heeft hij mijn kinderen bepist, terwijl ze in hun nestje lagen. Twee blijven de gevolgen dragen: zij zijn sindsdien volkomen blind! Maar, sire, desalniettemin blijft hij mij treiteren en honen! Wij waren overeengekomen dat hij zou zweren bij de relikwie... van ik weet niet juist meer wie dat hij onschuldig was. Maar toen de resten van de martelaar op het toneel verschenen, was hij in zijn kasteel verdwenen! Vele hoogstgeplaatste heren kunnen het u affirmeren: Reynaert heeft mij al zoveel gekoeioneerd. 't Is krimineel! Zelfs al maak je perkament van al het laken dat in Gent gemaakt wordt, kan ik zijn misdrijven nóg niet voor de helft beschrijven. Het meeste wil ik hem vergeven, maar dat hij mijn huwelijksleven heeft verwoest, dat moet gewroken!' Toen Isengrin was uitgesproken, stond een hondje recht, Courtois. Het vertelde 'en françois' dat het een arme drommel was die van de winter in zijn sas geweest was met een stuk saucisse, maar dat Renard, ce sâle complice, hem die saucisse had afgenomen, zodat hij haast was omgekomen! Tybeert de kater, die sprong nijdig in de ring en zei: 'Onpartijdig, bent u niet, mijn Heer en koning! Dit lijkt mij hier een schertsvertoning! Omdat u niet van Reynaert houdt, mag iedereen, 't zij jong of oud, hem zomaar door de modder sleuren! Hoor Courtois nu toch eens zeuren! Wat die hond vertelt, verdorie, dat is nog uit de prehistorie! Dat worstje was niet eens het zijne bovendien! Het was het mijne! Ik was 's nachts in een molen Ingebroken en had de worst gestolen van een slapende molenaar. Dus was ik dus de eigenaar! Wat komt Courtois hier klagen? Ik kan niet anders dan u vragen dat u die aanklacht seponeert.' Pancer de bever repliceerde: 'Tybeert, lijkt het jou gepast, dat dit proces wordt afgelast? Reynaert is een leugenaar, een dief, een boef, een moordenaar, die niets of niemand ooit ontziet, zelfs mijn heer, de koning, niet! Voor een vette kippenbout maakt hij zelfs de koning koud! Wat zeg je van die hinderlaag waarin hij op klaarlichte dag Cuwaert heeft gelokt? En is de haas hier soms geen pacifist die niemand ooit iets heeft misdaan? Weet u wat Reynaert heeft gedaan, terwijl u vrede had bevolen? Om Cuwaert bij te scholen, zogezegd tot kapelaan, is hij achter hem gaan staan, heeft hem positie in doen nemen tussen zijn gespreide benen en is met hem gaan repeteren om het 'Credo' aan te leren! Toevallig kwam ik daar voorbij en hoorde hoe ze allebei luidkeels aan het zingen waren. Ik liep, beducht voor de gevaren, naar de plaats van het gebeuren en vond daar meester Reynaert sleuren aan Cuwaerts kop. Het heeft niet veel gescheeld of hij had hem gekeeld. Van enig onderwijs of leer- proces was absoluut geen sprake meer. Had ik hun stemmen niet gehoord, dan was hij door Reynaert vermoord. Het had niet lang meer mogen duren! Kijk maar eens naar zijn kwetsuren: ze zijn nog altijd niet genezen! De feiten -ziet u- zijn bewezen. U laat het toch niet ongewroken dat uw vrede wordt gebroken? Als u niet doet wat men verwacht zal heel uw nageslacht de schande dragen. Nog menig jaar!' 'Pancer, wat je zegt is waar!' zei Isengrin nadrukkelijk, 'Heer, het zou een groot geluk zijn, als die Reynaert dood zou wezen! Als we hem vandaag vergeven, zal het niet zo lang meer duren of hij legt ons weeral in de luren.' Dit was teveel voor Grimbeert de das, die een neef van Reynaert was. Hij werd kwaad en nam het woord: 'Isengrin, heb jij gehoord hoe 't oude spreekwoord gaat: Vijands praat is valse praat! Spits uw oren! Let goed op: Ik wil diegene aan de strop die het meeste kwaad heeft aan- gericht. Laat die maar naar de galg gaan! Heer Isengrin, ga jij akkoord met wat jij hier zojuist gehoord hebt?' 'Zeker! Met plezier, Grimbeert!' 'Wel, zo ook mijn oom, mijnheer! Want als we jullie vergelijken zal daar dadelijk uit blijken -tot uw grote ergernis- wie hier de grootste smeerlap is! Isengrin, het is geen kunst om iemand die niet in de gunst staat van de koning zwart te maken. Als Reynaert het genot zou smaken dat de koning hém vertrouwde dan werd jij nu aangehouden! Hoe vaak heb jij hem niet gebeten en met je tanden aan zijn vel gezeten?' Isengrin zei: 'Heb jij zo vroom leren liegen van je oom?' 'Van wat ik zeg, is niets gelogen! Jij hebt mijn oom bedrogen, meer dan eens, op vele wijzen! Herinner jij je die pladijzen nog? Wie heeft ze van de kar geworpen? Hij! En welke nar liep er dan achter, heeft ze op- geraapt en in zijn strot gestopt? Jij! En wat heb je overgelaten voor hem? Niks, tenzij wat graten! Zo groot is je liefde voor Reynaert! Of ben je dat vergeten, lafaard? En dan dat lekker stukje spek, dat jij volledig in jouw bek gestoken hebt? Ook vergeten, zeker? Toen hij wilde weten waar zijn aandeel in de buit was, lachte jij hem vierkant uit: 'Reynaert, mooie jongeling, het touwtje waar het spek aan hing is lekker vet! Hier! Zuig eraan!' Hij had het meeste werk gedaan, maar veel heeft dat niet opgebracht, behalve dan dat hij een nacht in een zak gestoken en geslagen is! Dat moest mijn oom verdragen door de schuld van Isengrin, dàt en honderd andere dingen! Alsof dat niet genoeg was, heren, komt hij onbeschaamd beweren dat zijn vrouw verkracht is! Maar dat is absoluut niet waar! Die twee, die houden van elkaar! Het is al meer dan zeven jaar dat Reynaert in 't geheim intiem is met de vrouw van Isengrin. Hij heeft alles wat hij wou verkregen van de schone vrouw Haersinde, maar alleen door liefde! Zij heeft gedaan wat hem beliefde. En wat dan nog? Wie sterft van seks? Vanwaar die klacht? Ik sta perplex. Ook Cuwaert maakt in zijn beklag van een scheet een donderslag. Als hij zijn les niet goed geleerd heeft, is het toch niet zo verkeerd dat Reynaert, die zijn leraar is, hem straft? Of is dat ook al mis? Courtois huilt nog om een saucisse die hij ooit verloren is. Maar die klacht is al weerlegd, want er is hier net gezegd dat die worst van hém niet was. 'Gestolen goed gedijt niet!' da's toch algemeen geweten? Kunnen wij het Reynaert niet meer gunnen, dat hij 'n gestolen worstje haalt? Is dat nu ook al illegaal? Sinds de koning een bestand heeft afgekondigd in dit land nopens vrede en rechtszekerheid, is Reynaert de rechtvaardigheid zelve. Weet u hoe hij leeft? Hij is een kluizenaar. Hij heeft alleen een haren boetekleed aan, op zijn blote huid, en eet -Getuigen zeggen dat het waar is- al maanden zuiver vegetarisch. Hij heeft Malcroys, zijn oude thuis, verlaten voor een arme kluis. Hij, die ooit kasteelheer was, leeft nu alleen van caritas! Hij heeft geen bezittingen en leeft alleen van schenkingen! Bleek is hij. Hij leeft ascetisch, vast, doet boete, handelt ethisch, en voor al wat misgelopen is zoekt hij oprecht vergiffenis.' Onder Grimbeerts retoriek zag het aanwezige publiek Cantecleer de berg afkomen. Hij had een draagbaar meegenomen, waarop een dode kip lag: Coppe. Reynaert had ter hoogte van de krop haar hals en hoofd eraf gebeten. Dat moest en zou de koning weten. Men zag Canteclaar daar gaan en droevig met zijn vleugels slaan. Naast de draagbaar, langs weerszijden zag men bekende hanen schrijden: Cantaert, naar wie het potente vriendje van mevrouw Alente is genoemd, en aan de andere kant dan de beroemde haan Crayant, ook een klepper van formaat, De meest bekroonde laureaat was hij van pool tot evenaar. Ze droegen elk een kandelaar, die in hun gevouwen handen met een helder lichtje brandde. Twee broers van Coppe hadden groot verdriet om Coppes vroege dood. 'O wee! Ons zusje,' riepen zij, 'O-wee! is dood! Heb medelij...' De dragers waren Pinte en Sproete, en het was hun zwaar te moede: zij hadden hun zusje verloren. Mijlenver kon men ze horen, zo luid was hun rouwbeklag. De stoet bereikte nu de hofdag. Cantecleer sprong in de kring en zei: 'Mijn Heer en Koning! In naam van God en zijn genade vraag ik u, of u de schade, die Reynaert mij en al de mijnen die op dit proces verschijnen heeft aangedaan, vergelden wil! De eerste dagen van April, toen de winter was geweken en men langs velden, bos en beken bloemetjes zag openbloeien, zag ik mijn familie groeien. Ik was trots op mijn geslacht: jonge zonen, minstens acht en jonge dochters, zeker zeven! Zij hadden allen zin in 't leven. Rode had ze uitgebroed, en in wijsheid opgevoed. Zij waren rond en kerngezond en liepen op een mooi stuk grond, dat omheind was met een muur. Op het erf stond ook een schuur met heel wat aggressieve honden, die rovers naar het leven stonden. Daarom waanden wij ons veilig. Maar Reynaert, dat schijnheilig dier, kon uiteraard niet pikken dat hij geen van ons kon strikken. Hij belaagde ons voortdu- rend, liep gedurig rond de muur, zonder succes! Van zodra de honden Reynaert in de ga- ten kregen, gingen ze hem achterna. Dat is hem op een keer bijna fataal geworden. Hij is onzacht aangepakt, vlakbij de gracht. Het heeft daar toen nogal gestoven! Ik kan nog altijd niet geloven dat die vervloekte moordenaar ontsnapt is. Maar helaas, 't is waar. Een tijdlang zagen wij hem niet, tot hij onlangs, als heremiet gekleed, opeens op onze drempel stond. Hij toonde mij uw stempel en uw zegels aan een brief. Die moest ik lezen, zei de dief. Dat deed ik en ik had de indruk dat het officiële stuk bepaalde, dat bij koninklijk besluit voortaan in heel het rijk een algehele vrede heerste tussen alle soorten beesten. Hij beweerde al een jaar te leven als een kluizenaar en zich te hebben gekastijd voor zijn zielezaligheid, uit vrees voor God en voor diens straf. Hij toonde mij zijn pelgrimsstaf en -mantel, die hij in Elmare had gekregen, en zijn haren boetekleed. 'Heer Cantecleer,' zei hij : 'U hoeft voortaan niet meer in angst en zorg te zijn om mij. Ik heb op een paterspij gezworen alle vlees te derven. Ik word oud, zal weldra sterven en moet alle aandacht schenken aan mijn ziel en God gedenken. Ik heb nu andere bezigheden: Ik moet een hele reeks gebeden zeggen, elk uur van de dag.' Hij wenste mij een goeie dag en ging een eindje verder zitten bij de haag om er te bidden. Ik was blij. Ik heb een zucht geslaakt en ik ging opgelucht en onbevreesd met al mijn spruiten voor een wandeling naar buiten. De vreugde was van korte duur, want eventjes voorbij de muur kwam Reynaert achter ons gelopen. Hij was door de haag gekropen om ons de terugweg af te snijden. Ik kon helaas niet meer vermijden dat hij er één heeft uitgepikt, vermoord, verscheurd en doorgeslikt. En dat was nog maar het begin van onze lange marteling. Sinds die dag had hij de smaak te pakken. 't Was vergeefs gewaakt! Geen hond kon ons sindsdien beschermen! U moet zich over ons ontfermen! Hij begon ons alle dagen sluw en listig te bejagen. Ik zag mijn aantal kinderen dag na dag verminderen, tot er van 15 exemplaren nog maar 4 in leven waren. Tel het na en u kunt weten hoeveel hij er heeft opgegeten. Gisteren gingen alle honden Reynaert achterna. Ze konden Coppe wel recupereren, maar zij is dood! Mijne heren, ik klaag dit aan, met diepe pijn. Mijn heer, ontferm u over mij! De koning sprak: 'Grimbeert de das! Uw oom, die kluizenaar was, heeft zo te zien zijn best gedaan! Ik zweer dat hem dat duur te staan zal komen. Luister, Cantecleer, ik vind bijna geen woorden meer. Uw lieve dochter is gestorven. Laat God maar voor haar zieltje zorgen. Wij mogen haar niet langer houden en moeten nu op Hem vertrouwen. Laat ons de vigilien zingen en haar dan tesamen brengen naar haar laatste rustplaats, en eren. Daarna zal ik met deze heren overleggen en bespreken hoe wij ons het beste wreken op Reynaert, voor die moord.' Na dit ingetogen woord beval hij alle hovelingen de vigiliën te zingen. Zo gezegd en zo gedaan. Men hief terstond een treurzang aan en startte met een hoge do het 'Placebo domino'. Hadden we een uurtje tijd, dan had ik deze plechtigheid graag wat uitvoeriger beschreven: wie de tekst heeft voorgelezen, wie gezongen heeft en zo, maar kom! Na de vigilio lei men Coppe in een graf dat met zorg gegraven was onder een linde in 't gazon. Op de marmeren grafsteen stond een tekst, waarop de wandelaar kon lezen wie de eigenaar was van het graf, en ook de reden waarom die ooit was overleden. Op de mooie marmeren zerk stond in puntgaaf beitelwerk: 'Hier ligt begraven Coppe -RIP- een eminente scharrelkip. De vos Reynaert beet ze dood. Het verdriet om haar was groot.' Toen Coppe onder de zoden lag liet de vorst het wangedrag van Reynaert uitgebreid bespreken. Hij vroeg hoe men zich best kon wreken voor die afschuwelijke zonde. Na een consultatieronde kreeg de koning dit advies: hij moest Reynaert zonder tijdverlies sommeren zich bij 't hof te melden, en dreigen dat hij 't zou ontgelden als hij te laat zou durven komen. Er werd eenparig aangenomen dat Bruin de beste bode was. De koning vond dat erg gepast en zei daarom tot Bruin, de beer: 'Met de dagvaarding, mijnheer, belast ik u nu officieel. Maar ik vraag u heel formeel: wees geweldig op uw hoede, want Reynaert is een hele goede intrigant. Hij zal liegen, smeken, en u zelfs bedriegen met zijn mooie praatjes. En -bij God- als 't lukt, houdt hij u voor de zot!' Bruin zei: 'Sire, stop met preken!' Als hij met met zijn vossenstreken vangt, dat de duivel mij dan haalt! Ik zet hem alles dik betaald zodat hij de looser is! Bespaar mij uw bekommernis!' Bruin was zeker van zijn stuk... maar liep toch in zijn ongeluk. Bruin de beer gind dus op pad, een heel klein beetje boos omdat de koning twijfels had omtrent zijn moed, zijn kracht en zijn talent. Alsof hij zich door een vos zou laten vangen. Uit het bos gekomen kwam hij aan de heide. Reynaert had daar een misleidend web van paden uitgebouwd, want hij verliet al eens het woud als hij op roof- of strooptocht ging. Er lag een grote heuvel in dat woest gebied. En als je Manpertuus wou vinden was je verplicht om naar de top te gaan. Bruin begon er dus maar aan. Huizen had Reynaert meer dan veel, maar Manpertuus was het kasteel dat bij gevaar en grote nood het best van al bescherming bood. Vandaar dat Reynaert momenteel zijn domicilie had in dit kasteel. Toen Bruin de beer er arriveerde en de poort gedetecteerd had waarlangs Reynaert binnenging, ging hij rustig voor de vesting zitten op zijn berenstaart en zei: 'Zeg, bent u thuis, Reynaert? Tot u spreekt Bruin, de koningsbode. U wordt op een proces ontboden en als u er niet heen wil te gaan om voor het hof terecht te staan zodat de wet kan zegevieren en er onder alle dieren vrede heerst, wordt u geradbraakt! De balans is gauw gemaakt. Ik raad u aan om mee te komen!' Reynaert lag juist wat te dromen in het poortgebouw, een plekje waar hij dikwijls lag: zijn stekje om te zonnen in de lente. Van bij het eerste woord herkende hij de stem van Bruin en vlug trok hij zich in zijn burcht terug. Veilig in zijn diepste kelder zocht hij naar een helder plan om Bruin een goeie peer te stoven, zonder zelf zijn eer op het spel te zetten. Reynaert vond iets voor die gulzigaard! Vriendelijk repliceerde hij: 'Ik dank u, goede vriend van mij, voor de raad die gij mij geeft. Maar uw opdrachtgever heeft u toch een slechte dienst bewezen door u van zover naar deze hoge berg te laten reizen. Kijk, gij komt mij op iets wijzen dat ikzelf wel had gedaan, had mijn buik het toegestaan! Het is geen aangename kwestie, maar ik heb een indigestie van een vreemd en nieuw gerecht. Ik voel mij ongelooflijk slecht. Ik kan niet zitten en niet staan.' 'Reynaert, wat heb jij gedaan? 'Ach, Bruin, ik heb bedorven spul gegeten. Ja, een arme knul als ik - dat moogt ge weten - moet soms vieze dingen eten. Mijn voedsel is niet van een koning: een grote voorraad verse honing is alles wat ik heb, mijn vrind. En als ik echt niks anders vind, dan moet ik van die rommel vreten, Van zodra ik heb gegeten word ik ziek van ongemak!' Bruin aanhoorde dit en sprak: 'Help me, lieve vos Reynaert! Is honing jou maar zoveel waard? Ik stel die zoetigheid op prijs: het is zowat mijn lievelingsspijs. Ik houd er ongelooflijk van! Als jij er mij helpt vinden, man, dan zal ik, Reynaert, lieve neef, dan zal ik jou zo lang ik leef, met heel mijn hart beminnen! Reynaert, help mij honing vinden!' 'Bruin, gij kletst maar uit uw nek!' 'Maar nee, Reynaert! Ik zou wel gek zijn dat te doen! Ik meen elk woord!' 'Bruin, heb ik dat goed gehoord?' zei Reynaert: 'Kom, zeg mij gerust of ge echt wel honing lust. Als ik u daar plezier mee doe, dan moogt ge er tot barstens toe van eten! Gij zult straks wel zien dat er eten is voor tien!' 'Voor tien? Dat is wat overdreven. Je mag mij alle honing geven die je van hier tot Portugal kunt vinden, Reynaert, en ik zal die -daar durf ik op wedden- in mijn eentje wel verzetten.' Reynaert zei: 'Maar Bruin, wat zegt gij? Kijk, Lamfroit, woont hier dichtbij. Hij is wat simpel, maar die man heeft zoveel honing! Niemand kan die eten, in geen jaar of zeven. Ik wil u al die honing geven, als gij voor mij ten beste spreekt.' De hongerige Bruin bezweek en hij beloofde eeuwig trouw te zijn aan Reynaert. Ja, hij zou zijn beste vriend, zijn kameraad, zijn steun zijn en zijn toeverlaat, als hij die honing maar kon krijgen! Reynaert lachte luid -vaneigen- en zei: 'Beroemde held! Ik wou dat God mij ook eens zou verwennen zoals hij nu doet met u! Hij schenkt u in Zijn goed- heid minstens zeven vaten honing!' Bruin was zo geweldig in zijn nopjes, dat mijnheer begon te lachen tot hij niet meer kon. Reynaert dacht: 'Ik heb de indruk -als mijn plan tenminste lukt- dat gij binnenkort nog zeer veel harder zult gaan lachen, beer!' Na dit gesprek kwam Reynaert uit zijn vossenburcht en hij zei luid: 'Nonkel Bruin, van harte welkom! De zaak zit zo: het lijkt mij stom om hier nog lang te blijven staan. Volg mij maar, ik zal u voorgaan langs dit verborgen slingerpad en ik beloof u plechtig dat -als alles volgens plan verloopt- gij meer zult krijgen dan gij hoopt en meer dan gij zult kunnen dragen.' Reynaert dacht daarbij aan slagen, maar dat had de beer niet door. Zo'n dubbelzinnigheid was voor die sukkel té geraffineerd. Hij heeft dan ook zeer vlug geleerd hoe duur de honing wordt verkocht. Na een korte wandeltocht kwam Reynaert met zijn reiskompaan bij Lamfroits omheining aan. Als ik juist geinformeerd ben, was dat een gerenommeerde timmerman. Hij kende zijn metier. De man had naast zijn atelier een hele dikke boseik liggen die hij met behulp van wiggen overlangs aan 't splijten was. In de timmerij komt dat van pas. De eik had al een grote spleet, wat Reynaert veel genoegen deed. Hij zei met een geslepen lachje: 'Kijk eens hier! Nog nooit zag je zo'n massa bijenhoning, oom! Kijk eens hier in deze boom! Er is er ongelooflijk veel. Probeer dat maar eens in uw keel en in die buik van u wringen! Pas op! Ge moet u wat bedwingen! Ook al lust gij honingraten, eet voorzichtig en met mate, anders krijgt ge straks nog pijn. Het zou voor mij een schande zijn als u vandaag iets overkwam!' 'Ach, maak je toch geen zorgen, man!' zei Bruin 'Hou jij me voor een oen? Alles met maat is mijn blazoen.' 'Gij hebt gelijk. Waarom heb ik' zei Reynaert 'altijd zoveel schrik? Allez, vooruit! Kruip er maar in!' Reynaert dacht: 'Hoera, ik win!' en Bruin, die de controle was verloren, stak zijn hoofd tot over de oren in de boomstam, samen met zijn voorste poten. 'Opgelet!' dacht Reynaert. Nauwgezet sloeg hij de wiggen uit de eik. Bruin bleef steken in de boom. Zo heeft de neef zijn eigen oom in de grootste nood gebracht! Geen sluwe list of brute kracht kon hem nog redden uit die klem. Wat adviseren jullie hem? Zijn kop zat vast in eikenhout en dat hij sterk was en stout- moedig kwam hem niet van pas. Hij zag dat hij bedrogen was, begon te brullen en te huil- en, maar zijn poten en zijn muil zaten zo onwrikbaar klem, dat er geen hoop meer was voor hem. Hij vreesde nooit meer te ontsnappen. Wat verder, op geen honderd stappen, verscheen Lamfroit op het toneel. Hij droeg een bijl en een houweel over zijn schouder. Luister maar hoe die brutale Reynaert daar met zijn eigen oom de draak stak! 'Eet maar voort op uw gemak! Lamfroit komt aangepaste wijn serveren bij dit eetfestijn!' Reynaert trok na deze woorden snel naar veiligere oorden en een ogenblik nadien kreeg Lamfroit de beer te zien. Hij zag dat hij gevangen zat en bleef niet langer hangen, maar liep vandaar in zeven haasten naar het dorp om bij zijn naaste buren aan te bellen en hen hijgend te vertellen dat er een beer gevangen stond. Er kwam een boerenleger rond hem staan. Het dorp was niet te houen: alle mannen, alle vrouwen, wilden deze beer te lijf. De een nam een bezem, de ander een rijf, een derde een vlegel, een vierde een stok. Al wat lopen kon, vertrok en verliet op slag het werk. De pastoor kwam uit de kerk gelopen met een crucifix dat de koster goedschiks kwaadschiks ingeruild hadde voor een vaan- del om te steken en te slaan. De pastoor zijn vrouw, Julocke, kwam gelopen met de stokken waarop ze juist aan 't spinnen was. Voor hen uit, in lichte looppas, liep Lamfroit, zijn bijl als wapen. Bruin stond niet bepaald te slapen, maar toen hij vanop afstand hoorde dat het dorp hem wou vermoorden, zette hij alles op alles en sleurde zo hard hij kon. Maar daarbij scheurde hij zijn vel. Hij kreeg zijn kaken uit de klem -dat wél- maar niet zijn huid, één oor en evenmin zijn wangen. Die bleven in de boomstam hangen. Dat deed pijn, en bovendien was het niet om aan te zien, zo lelijk was zijn snuit. Zijn hoofd had hij er nu wel uit, maar om zijn poten te bevrijden moest hij de klauwen van zijn beide voeten trekken, plus de huid. Op die manier kwam hij eruit. Hoe kon hij meer vernederd zijn? Zijn voeten deden zoveel pijn dat hij nog nauwelijks kon lopen. Zijn gezwollen ogen dropen van het bloed. Hij zag geen steek meer en was helemaal van streek. Toen, in het strakke tegenlicht, kreeg hij opeens Lamfroyt in zicht (want die liep helemaal van voor) met achter hem mijnheer pastoor en dan de koster-vaandeldrager. Daarna volgde, ietwat trager, geschakeerd van oud naar jong, het parochiepeloton. Hekkensluiter was een tante, stratenoud en zonder tanden. De moraal van dit verhaal is dit: Wie diep in de penarie zit en diep in de ellende wordt pispaal voor geheel de bende. Dat ondervond ook Bruin de beer. Wie ging er tegen hem te keer? Zij, die niets hadden gedaan als hij zijn man had kunnen staan! Het was niet ver van de rivier dat Bruin, dat ongelukkig dier, omsingeld werd door heel die bende. Niemand die genade kende. Daarmee leek zijn lot bezegeld: geslagen werd hij en gevlegeld, bekogeld, beschoten en gepest. Vooral Lamfroyt deed flink zijn best. Ene Lottram Lankvoet mik- te naar zijn ogen met een pik. Mevrouw Van Vuilmanieren sloeg met een ijzer op zijn nieren tot hij piste. En, vol overgave, lagen Abelquac en Bave tussen Bruin zijn achterpoten te vechten voor zijn kloten. Ludwig met de Lange Neus, zwaaide nogal furieus met een soort van hamerslinger. Ludolf met de Kromme Vinger deed hem de beweging voor. Hij was de hoogste in geboor- te na Lamfroyt. Nummer twee dus. Hugo met de Kromme Be- nen was zijn vader, uit Absdale; zijn moeder kwam in de annalen als madame Oooooooo-Gaarne, het licht in meer dan één lantaarn. Zoveel dames, zoveel heren, wier naam ik hier niet kan citeren, mishandelden hem zo verwoed dat Bruin bijna was leeggebloed. Hij kreeg dan ook het volle pond van iedereen die rond hem stond. De pastoor -een stichtend voorbeeld- sloeg hem krachtig met het kruisbeeld en ook de koster met zijn vlag zat niet verlegen om een slag. Lamfroyt verkocht hem met veel stijl een moker van zijn scherpe bijl en trof hem tussen hals en hoofd. Bruin tuimelde geheel verdoofd opzij en zo, op die manier belandde hij bij de rivier in een groepje oude wijven! Hij kieperde die met hun vijven in het water dat daar liep. En het water was daar diep! Eén van hen nu was Julocke. Wat was de pastoor geschrokken toen hij zijn vrouw in 't water zag! Zijn colère was op slag voorbij. Hij hield op met slaan en steken. 'Kijk! Parochianen! Daar drijft mevrouw Julocke met haar spillen en haar rokken. Wie voor haar te water gaat, die krijgt van mij een volle aflaat en volledige vergiffenis van alles wat maar denkbaar is!' Na deze preek liet iedereen die stakker van een Bruin alleen, (die was toch zo goed als dood) en deed wat de pastoor gebood. Vooraleer ze haar met stokken uit het sop hadden getrokken, was Bruin in de rivier gesprongen en pijlsnel van hen weggezwommen. De dorpelingen waren gloeiend kwaad dat Bruin nu, haastig roeiend, in de stroom wist te ontsnappen, waar ze hem niet konden pakken. Ze scholden en ze vloekten luid. Bruin zocht in het water uit waar de sterkste stroming was. Terwijl hij zo aan 't drijven was, verwenste hij de eikenboom, die hem zijn oor had afgeno- men, inclusief zijn beide wangen. Hij vervloekte in het lang en in het breed de boze Reynaert, die hem met zijn bruine baard zo diep in dat stuk eikenhout had laten kruipen! Ook Lamfroit, die de val had klaargezet! Bruin ging door met dit gebed tot hij een heel eind afgedreven was van waar de beer zoëven nog het dorp in allerijl verlaten had, ongeveer een mijl. Hij was moe. Hij had veel pijn, en viel daarbij bijna in zwijm door bloedverlies. De zwempartij bekwam hem slecht en dus zwom hij aan land en hees zich op de oever. Jullie hebben nooit een droever dier gezien dan deze beer. Hij jammerde en kreunde zeer en hijgde met verkrampte flanken. Aan Reynaert had hij dat te danken! Maar waar had Reynaert uitgehangen? Hij had een vette kip gevangen, niet ver van de timmerij, om vervolgens te verdwij- nen. Zoals zijn gewoonte was, had hij zijn prooi in lichte looppas naar een verre plek gebracht, waar niemand zomaar onverwachts voorbij zou komen. Eenzaamheid is synoniem voor veiligheid! Vervolgens had hij gedineerd en heel de kip geconsumeerd. Met een overvolle maag kwam hij daarna de berg omlaag langs een goed verborgen pad. Geheel verzadigd! Maar, omdat het weer zo mooi was en zo heet, liep hij zich nogal in 't zweet. Het water leekte van hem af! Geen wonder dat hij zich begaf naar de verfrissende rivier. Hij danste bijna van plezier, zo blij was hij. En dat met reden! Hij dacht met zekerheid te weten dat Lamfroyt de beer verslagen en als trofee naar huis gedragen had. 'Awel, ik ben content!' zei hij. 'Mijn grootste opponent heb ik vandaag geliquideerd, maar ikzelf ben ongedeerd en niemand kan mij ooit iets maken! Ge zoudt van minder in vervoering raken.' Zo liep hij in zichzelf te praten, toen hij, beneden aan het water, Bruin zag liggen. Wat een klap! Op slag veranderde zijn blijdschap in verdriet en ergernis. Zijn gemoedsgesteltenis sloeg om in haat en nijd. Hij riep: 'Vermaledijd, Lamfroyt, dat moet ge zijn! Ge zijt nog dommer dan een zwijn! Lamfroyt, gij hoerenzoon! Wat is dat voor een niveau! Gij krijgt van mij - hoe kan dat nu? - een beer cadeau, maar hij onstnapt u! Hoeveel vette koteletten hadt gij op tafel kunnen zetten! Stommerik! Beseft gij wel dat gij een kostbaar berenvel in handen had, maar dat gij, duts, het allemaal weer hebt verprutst!' Na deze kleine scheldtirade liep Reynaert door tot aan het water om te zien hoe Bruin het stelde. Toen hij de door pijn gevelde beer zag liggen op de grond voelde Reynaert zich terstond weer blij. Hij schold hem flink de huid vol, lachte hem ook vierkant uit. 'Eerwaarde Heer, Dieu vous salut! Kent u Reynaert nog? Welnu, hier is hij! Ja, bekijk hem maar: de rosse schelm, de gulzigaard! Zeg mij eens, eerwaarde vriend, -bij God de Vader die gij dient- welke kloosterorde vraagt u dat ge zo'n rood kapje draagt ? Zijt ge abt? Of kardinaal? Dan heeft men u toch lelijk kaal geknipt en iets te diep geschoren: Gij zijt zelfs een stuk oor verloren! Hebt ge uw handschoen uitgedaan? O, ik zie het! Gij zult klaarstaan om de avondmis te zingen!' Bruin wou hem de nek omwringen, maar hij kon zich nu niet wreken. Hij voelde dat zijn hart zou breken en sprong terug in de rivier, omdat hij van dat smerig dier geen woord meer wilde horen. Zo dreef hij eenzaam en verloren weer stroomafwaarts. Op het zand kroop hij tenslotte weer aan land. Maar hoe kwam Bruin nu naar het hof? Zelfs als de hele wereld hem dat of- fer had gevraagd, er was geen denken aan dat hij te voet had kunnen gaan. Hij had de klauwen en de sokken van zijn voeten afgetrokken. Daarom zocht hij intensief naar een geschikt alternatief om toch op weg te kunnen gaan. Luister hoe hij dat gedaan heeft! Hij is zittend op zijn krent met schaamte en ressentiment op zijn staart beginnen glijden. Als hij moe was van dat sliden, begon hij op de grond te rollen. Na een kilometer tollen naderde hij toch het hof. Eerst werd nog getwijfeld of het wezen dat daar in de verte rollend waargenomen werd echt wel Bruin de beer kon zijn. De koning kromp ineen van pijn, want hij herkende zijn sergeant direct: ''t Is Bruin, mijn rechterhand!' riep hij. 'Maar, kijk, zijn hoofd is rood! Hij is gewond! Straks gaat hij dood! Och God! Wie heeft hem zo mismaakt?' Toen Bruin tot bij zijn vorst geraakt was, deed hij kreunend zijn beklag. Hij was helemaal van slag en zei: 'Ach, koning, edele heer! Wreek mij toch en red uw eer! Zie wat dat boosaardig dier uw arme dienaar met plezier heeft aangedaan: mijn mooie wangen en mijn oor zijn blijven hangen in een boomstam. Door zijn schuld!' De koning zei: 'Als ik dit duld, dan mag men mij terecht verdoemen!' Hij begon de naam te noemen van de hooggeplaatste heren die hem moesten assisteren in de koninklijke raad. Daarin werd besproken hoe de wandaad best bestraft kon worden. Praktisch unaniem kreeg Nobel het advies dat het het beste was dat Reynaert voor een tweede keer gedagvaard werd, om beide partijen aan het woord te horen. Men gaf aan dat Tybeert, als de koning wou, de dagvaarding wel brengen zou. De kater was niet sterk, maar slim. Daar zag de koning wel iets in. Hij sprak alsvolgt: 'Mijnheer Tybeert, ga op weg! En als je terugkeert, zorg dan dat Reynaert met je meekomt. Sommigen in dit halfrond beweren dat hij weliswaar een beetje agressief is, maar graag zal doen wat jij hem aanraadt. Als hij niet wil, dan ben ik kwaad. Het zou voor zijn familie-eer een schande zijn als hij een derde keer moest opgeroepen worden. Ga!' Tybeert zei: 'Maar Sire, denk toch na! Ik ben een klein en weerloos dier. Bruin, die sterk is, groot en fier, heeft hem niet kunnen overwinnen. Hoe moet ik het dan beginnen?' De koning sprak: 'Mijnheer Tybeert, Jij bent wijs en hooggeleerd. Dat jij niet groot bent, dat is waar, maar soms krijgt men iets voor mekaar met wijsheid, wat met brute kracht nooit tot stand zou zijn gebracht. Ga daarom! Gehoorzaam mij!' Tybeert sprak: 'God sta mij bij, zodat ik deze klus kan klaren! Ik waag mij aan een avontuur waar ik maar weinig moed uit puur. Ik hoop dat God mij zal bewaren!' En zo ging Tybeert dus op stap voor iets wat hem met weinig blijdschap vulde. Op de weg gekomen zag hij ver boven de bomen een Sint-Maartensvogel komen. Dat verheugde hem ten zeerste en hij riep: 'Kom hier, gij beestje! Vlieg eens langs mijn rechterzijde!' Maar het beest vloog met een wijde boog tot in een lage houtkant, langs de -verkeerde- linkerkant! Dat voorspelde niet veel goeds, dacht Tybeert met bezwaard gemoed. Als hij mooi langs rechts gekomen was, zou dat een gunstig omen zijn geweest, maar nu was hij de wanhoop haast nabij! Toch probeerde hij zo goed en kwaad het ging de frisse moed erin te houden, en hij pepte zich een beetje op. Hij repte zich gezwind naar Manpertuis en vond er Reynaert voor zijn huis staan, zelfvoldaan en onbewogen. Tybeert sprak hem aan: 'God moge je een goede avond geven! De koning staat je naar het leven als je niet meekomt naar het hof!' Reynaert zei: 'Onovertrof- fen held! Van harte welkom! Neef, dat God u roem en voorspoed geeft, dat wens ik u in ruime mate!' Ach, wat kon Reynaert toch mooi praten en een goede indruk maken! Maar boosaardig was zijn hart, zoals Tybeert tot zijn smart zal ondervinden, voordat deze regels nog ten einde zijn gelezen. Reynaert zei: 'Ik wil, Tybeert, dat gij vannacht bij mij logeert. Morgenvroeg ga ik gedwee met u naar koning Nobel mee. Want, Tybeert, er is momenteel niemand die ik meer vertrouw in mijn familiekring dan jou! Bruin is hier geweest, de beer, maar die ging hier nogal tekeer! Het leek mij zo'n brutale macho, dat ik voor geen duizend euro met hem op weg had durven gaan. Maar met u durf ik het aan: morgenvroeg, bij dageraad.' Tybeert zei, 'Dat lijkt me laat. 't Is beter dat je nu direct vanavond al naar 't hof vertrekt. Waarom tot morgenvroeg gewacht? De volle maan schijnt hier vannacht zo klaar dat het wel daglicht lijkt. Dat is, als je het goed bekijkt, toch ideaal voor onze reis!' 'Neenee,' zei Reynaert eigenwijs 'Langs de nachtelijke wegen komt ge van die types tegen die overdag wel vriendelijk zijn, maar 's nachts is het venijn! Gij logeert vannacht bij mij!' Tybeert zei: 'Wat eten wij, als ik hier zou blijven slapen?' 'Ge moet u echt geen zorgen maken, neef. Het zijn wel slechte tijden, maar ik kan u toch verblijden met een stukje uitermate smakelijke honingraten. Wel, wat zegt ge? Lust ge dat?' Tybeert zei geschrokken: 'Wat?' Heb jij niets anders meer in huis? Geef mij maar een vette muis of iets anders van dien aard!' 'Een vette muis?' zei Reynaert, 'Tybeert, heb ik goed gehoord? Dat kan. Er woont hier een pastoor en in die man zijn schuur daar huizen zo verschrikkelijk veel muizen, dat geen wagen ze kan dragen. Ik hoor die man zo dikwijls klagen dat ze hem nog doen verhuizen!' 'Reynaert, zijn daar zoveel muizen? Bij God! Ik wilde dat ik daar al was!' 'Maar, 'Tybeert, is dat waar? Wilt gij muizen?' 'Ja, en hoe! Reynaert, zwijg erover, toe! Muizen zijn mijn favoriet menu. Ach, weet jij dat dan niet? Er zit meer smaak in dan in wild! Bevredig mij toch, als je wilt, en breng mij naar dat eetfestijn! Ik zal je eeuwig dankbaar zijn, al had jij mijn papa vermoord en al wie tot mijn huis behoort.' 'Zeg, neef, houdt gij mij voor de zot?' 'Maar nee, Reynaert! Maar nee, begot!' 'Tybeert! Had ik dat geweten, hadt gij u hier vol gegeten!' 'Dat bestaat niet, Reynaert. Vol?' 'Tybeert, zegt ge dat nu voor de lol?' 'Maar nee, Reynaert, ik zweer het! Zo'n heerlijk muisje, lekker vet, dat ruil ik voor geen kilo goud!' 'Ja, als ge zó van muizen houdt, dan toon ik u nu dadelijk die schuur waar gij u smakelijk te goed kunt doen voordat wij scheiden!' 'Reynaert, jij mag mij zelfs leiden naar het verre Montpelier.' 'Komaan, wat staan wij hier dan nog te staan?' zei Reynaert, 'Kom, we gaan!' Zij gingen dus onmiddellijk op pad en dat gezamenlijk. Reynaert, als een goede herder, ging voorop. Ze stapten verder tot ze aan de lemen muur van de bewuste voorraadschuur gekomen waren. Daags te voren was Reynaert daar al ingebroken en had daarbij een haan genekt. Toen die diefstal was ontdekt, was de zoon van de pastoor zo boos geworden dat hij voor het gat direct een strik gezet had. Daarmee wilde Martinet de sluwe kippenrover vangen, want die moordenaar moest hangen! De sluwe Reynaert wist dat en hij zei: 'Tybeert, lieve neef van mij, gij zijt lenig. Weet ge wat? Kruip naar binnen langs dit gat, en grabbel in het rond! Hoor ze piepen! Pak ze! Ga ervoor! Kom weer buiten als ge vol zit. Ik blijf zitten voor dit hol, en houd voor u de wacht. Wij zijn een stevig team vannacht. Morgen gaan we dan naar 't hof. Allez, ge zijt zo kort van stof! Waar wacht ge op! Vooruit! Ga eten! Daarna zult ge, zeker weten, bij mijn vrouw gastvrijheid vinden. 'Moet ik langs dit gat naar binnen, Reinaert? Is dat wel verstandig? Pastoors zijn naar ik weet erg handig in het zetten van een strik!' 'Welwel, Tybeert, bangerik! Sinds wanneer doet gij zo flauw?' Tybeert schaamde zich en gauw sprong hij door het gat naar binnen. Maar voor hij zich goed kon bezinnen, zat hij met zijn kattenkop gevangen in een vossenstrop. Wat lachte Reynaert hem toen uit! Tybeert schrok en sprong vooruit waardoor de strik nog vaster liep. Hij stikte bijna. In paniek gilde hij zijn doodsangst uit. Hij deed dat zo verschrikkelijk luid dat zijn jammerlijk geblaat te horen was tot ver op straat. Daar stond Reynaert op de stoep en riep: 'Vindt ge ze goed die muizen? Zijn ze lekker vet? Tybeert, als die Martinet nu wist dat ge aan tafel zat en zomaar van zijn wildbraad at, dan zou hij u een sausje maken dat u zeker goed zou smaken! t'Is zo een sympathieke jongen! Apropos- zo mooi gezongen als vandaag hebt ge nog nooit! Heeft het hof dat al gehoord? Ik wilde, Tybeert, dat ge daar met Isengrin, de moordenaar, aan dezelfde tafel zat!' Ja, Reynaert had plezier om wat er binnen met zijn gast gebeurde. Tybeert riep zo hartverscheurend luid dat Martinet ontwaakte en een kreet van blijdschap slaakte! 'Ha, ha, God dank!' riep Martinet 'Ik heb mijn valstrik goed gezet. De dief is er nu in gelopen! We zullen hem die haan verkopen!' Hij stak een strootje in het vuur om licht te maken en natuur- lijk wekte hij direct zijn vader, moeder, broers en zus. 'De dader is gepakt!' riep Martinet. Iedereen sprong vlug uit bed en wou meteen participeren. De pastoor wou ook presteren en kwam uit bed, volledig naakt, zoals God hem had gemaakt. Terwijl zijn zoon al in de schuur was, liep hij haastig naar het vuur en greep de spinstok van zijn vrouw. Julocke van haar kant stak gauw één van de offerkaarsen aan. De pastoor kwam naast Tybeert staan en sloeg hem met Julockes spinstok ongenadig op zijn kop, terwijl hij nota bene zonder gêne poedelnaakt stond op de scène! Tybeert incasseerde slag na slag, terwijl hij weerloos lag. Niemand spaarde hem, wel neen! Martinet wierp met een steen zijn linkeroog uit. De pastoor, die bloot stond in zijn volle glorie, hief voor een enorme slag zijn arm. Toen Tybeert zag dat hij bijna was uitgeteld vermande hij zich als een held en zette de pastoor te schande! Met zijn klauwen en zijn tanden in de aanslag sprong hij in de reet van de pastoor en beet zich vast in 't klokkenspel, dat wordt gebruikt bij 't liefdesspel. Een dingetje viel op de vloer... Julocke, diep geschrokken, zwoer bij de ziel van haar papa dat zij onmiddellijk bijna haar hele jaarinkomen veil had, als zij kon bekomen dat dit schandelijk malheur nooit ofte nimmer was gebeurd! 'Verduiveld, jongen! Martinet, waarom heb jij die strik gezet? Zie uws vaders ingewanden! Wat een affront en wat een schande! Al herstelt zich die kwetsuur, hij zal geen passie en geen vuur meer hebben in de liefde. Ach!' Reynaert stond nog steeds op wacht. Hij had de jammerklacht gehoord en lachte dat zijn achterpoort- je ervan openging en kraakte. Dit was humor die hij smaakte! 'Zwijg, Julocke, zoete vrouwe,' zei hij, 'hou toch op met rouwen, Maak er zo geen drama van! Het is geen nadeel dat uw man één klepel mist. Hij zal voortaan een stuk relaxer aan het werk gaan. Laat uw gejammer achterwege! Als hij geneest, zal het een zegen zijn dat hij mag luiden met één klokje!' Zo trootstte Reinaert vrouw Julocke, die hysterisch stond te wenen. De pastoor kon op zijn benen niet meer staan en viel in onmacht. Zij droeg hem met enorme kracht- inspanning rechtstreeks naar zijn bed. Reynaert keerde daarop met plezier terug naar huis en liet de kater achter in paniek en grote doodsangst. Alhoewel Tybeerts toestand erg penibel was, zag hij dat allen rond de gevallen priester stond- en en dat niemand op hem lette. Hij greep zijn kans en haastig zette hij zijn tanden in de koord en beet ze zomaar middendoor. Haastig sprong hij door het gat en ging onmiddellijk op pad naar de koning en zijn vrienden. De eerste zonnestralen priemden door het zachte ochtendrood toen Tybeert als een zielepoot bij de koning aan kwam lopen. Hij had zich nogal laten stropen! Jongens, wat een nederlaag! Toen de koning Tybeert zag, - die laatste had een oog verloren- liet hij vreselijk van zich horen. Hij zwoer dit zwaar te zullen wreken! Hij zou met Reynaert en zijn streken korte metten maken! Prompt vroeg hij zijn hoge kroonraad om advies. Hoe kon men deze laffe daad van Reynaert best bestraffen? Iedereen had zo zijn mening en gaf die mee, ter overweging. Grimbeert nam het woord, de das, die zelf een neef van Reynaert was: 'Geachte heren van de raad, al doet mijn oom misschien veel kwaad, u moet de wet toch respecteren en hem driemaal convoceren. Dat moet zo bij een vrije man. Daagt hij dan nóg niet op, dan kan hij schuldig zijn aan al die daden, waarmee de klagers hem beladen.' 'Maar, Grimbeert, wie moet Reynaert nu nog dagvaarden, volgens u?' vroeg de koning. 'Mijne heren, wie wil hier een oog riskeren, in een hachelijk avontuur voor zo'n misdadig creatuur? Niemand -denk ik- is zo zot!' Grimbeert sprak: 'Met hulp van God durf ik deze opdracht aan. Ik ben dapper. Ik zal gaan, tenminste als u het gebiedt.' 'Grimbeert, ga! Maar ik wil niet dat u iets overkomt. Let op!' 'Dat doe ik!' zei de das daarop. En zo trok hij naar Manpertuis. Hij vond er de familie thuis. Zijn oom lag met vrouw Hermelijne en een nest vol vossenkleinen in een hol onder de haag. Eerst zei Grimbeert goedendag aan zijn oom en aan zijn tante en dan zei hij: 'Deze toestand, ben je daarmee ingenomen? Lijkt de tijd je niet gekomen om eens naar het hof te gaan en een eind te maken aan dat slepend rechtsgeding? Dit is de derde dagvaarding en als je morgen niet verschijnt, dan vrees ik dat de kans verdwijnt dat je kunt rekenen op clementie. Dan wordt over een dag of drie je burcht bestormd. Je wordt gevangen en standrechterlijk gehangen of geradbraakt. Geen genade! Je lieve kinderen en gade worden dan gegarandeerd verschrikkelijk vermassacreerd. Jullie sterven allemaal en jij ontsnapt in geen geval! Luister daarom naar mijn raad: Het is het beste dat je meegaat naar het hof. Je weet maar nooit! Als de koning jou aanhoort, krijg je misschien vergiffenis en loopt heel die geschiedenis goed af. En dan verlaat je morgen 't hof, bevrijd van alle zorgen. Reynaert sprak: 'Ge hebt gelijk. Alhoewel...als ik bekijk wie in dat koningsclubje zit dan geef ik het u zwart op wit: Die zijn gewoonweg woest op mij. De kans dat ik het haal is klein. En toch lijkt het mij beter, vriend, -of ik het overleef of niet- voor zo een tribunaal te kiezen dan alles te verliezen: mijn kasteel, mijn kroost, mijn wijf en ook nog eens mijn eigen lijf. Ik zal de confrontatie aangaan. Als ge wilt, dan zal ik meegaan. Luister,' zei hij, 'Hermelijn, wilt gij voor die kroost van mij met heel veel liefde zorgen nu, en vooral, dat vraag ik u speciaal, voor Reynaerdijn, mijn zoon. Zijn snorrebaardje staat zo schoon in zijn gezicht, ge moet eens kijken! Ik hoop dat hij op mij gaat lijken. En ook Rosseke, nog zo een dief met toekomst, die ik innig lief- heb, als een goede vader doet. Ik beloof u, ook al moet ik van u scheiden, dat ik tot het uiterste zal gaan, bij God! om levend bij u terug te komen! Grimbeert, God zal het u lonen!' Met hoofse woorden nam hij afscheid en vertrok. Ach, met droefheid zagen vrouwe Hermelijne en de welpen hem verdwijnen! Toen hij vertrok uit Manpertuis, zagen radeloze huis- genoten Reynaert van hen weggaan. Maar hoor wat Reynaert heeft gedaan! Aangekomen op de hei- de sprak hij Grimbeert aan en zei: 'Grimbeert, allerliefste neef, ik zucht van zorgen en ik beef van schrik. Ik wil biechten. Nu! Hier ter plekke! Hier, bij u! Luister, ik verklaar mij nader: Ik zie geen andere biechtvader dan u! Als ik voor u beleden heb wat ik heb uitgevreten, zal mijn ziel gezuiverd zijn!' Grimbeert zei: 'Oom Reyn- aert! Alleen als je mij nu belooft dat je nooit meer steelt of rooft, wil ik hier je biecht aanhoren. Zonder zo'n belofte is't verloren moeite.' 'Ja, dat weet ik wel,' zei de sluwe Reynaert snel, 'Grimbeert, geef mij goede raad en schenk mij alstublieft genade voor mijn schandelijke daden! Luister, Grimbeert, dan verstaat ge: Confiteor, pater, mater dat ik de otter en de kater en in casu ook de rest -mea culpa- heb gepest.' Grimbeert zei: 'Zeg, spreek jij Frans of zo, in plaats van Nederlands? Spreek zó dat ik je kan verstaan!' Reynaert zei: 'Ik heb misdaan jegens alle dieren die nu leven. Vraag God mij te vergeven! Door mijn schuld heeft nonkel Bruin nu een bloedkorst op zijn kruin. Tybeert liet ik muizen vangen, terwijl ik wist dat hij zou hangen in de schuur van de pastoor. Verder schaam ik mij ervoor dat ik het aantal kinderen van Cantecleer liet minderen. Hij beschuldigt mij terecht: Ik heb er veel omver gelegd. Zelfs de koning heb ik vaak gekrenkt en kwaad gemaakt en ik heb de koningin. beledigd! Ach, ik hoop dat bin- nenkort weer goed te kunnen maken! Ik beken met rode kaken, dat ik meer lieden heb bedrogen dan ik kan zeggen en zou mogen! Isengrin deed ik geloven dat hij mijn oom was. Daarenboven wist ik hem te overreden in Elmare in te treden. Tot zijn schande, zo bleek gauw, heb ik hem aan het klokkentouw gebonden met zijn beide voet- en. Dat beviel hem blijkbaar goed, want hij luidde zo extatisch dat het resultaat dramatisch was. Hij beierde zo uitermate luid, dat iedereen op straat en in het klooster van Elmare afgelopen kwam en waar- lijk dacht dat men de duivel hoorde! Vóór hij in beknopte woorden gezegd had: 'Ik wil monnik word- en' was hij al bijna vermoord! Vervolgens kreeg hij de tonsuur van mij. Daar denkt hij nu nog zuur aan terug. Dat weet ik zeker, want ik heb zijn haar eraf gebrand zodat zijn huid gekrompen is. Ik heb hem tot zijn ergernis ook leren vissen op het ijs. Hij kon geen kant meer op en is daar stevig in mekaar geslagen. Ik bracht hem na een tweetal dagen naar de paster van Vimblois. In de hele Vermandois was geen enkele pastoor nog rijker. In zijn grote voor- raadkamer lag het vol met spek. Echt iets voor een lekkerbek als ik! Goed verscholen had ik daar al lang voordien een gat gemaakt. Ik liet hem kruipen om te smullen van de kuipen rundsvlees en het spek. De zot stak zoveel voedsel in zijn strot dat hij na gedane zaken niet meer buiten kon geraken met zijn dikke buik en maag. Hij heeft het zich fameus beklaagd dat hij zoveel honger had gehad en door dat smalle gat niet meer naar buiten kon geraken. Ik begon lawaai te maken in het dorp met veel tamtam, want ik had een super plan: Ik liep naar de pastoor, die -wat een toeval- juist aan tafel zat. De pastoor, die had een haan, die gerust model kon staan voor al het pluimvee van het land. Hij was tam, at uit de hand en zo. Ik nam hem in mijn mond terwijl hij voor de tafel stond, voor de ogen van zijn baas! De priester brulde: 'Galgenaas! Ik kan mijn ogen niet geloven! Dat komt mij voor mijn neus beroven in mijn eigen huis! Sanctus Spiritus, ik sla hem terminus! Het zal hem spijten dat hij 't deed!' Hij nam zijn mes en smeet me dan de tafel achterna, zo hoog, dat ze met een grote boog over mij heen vloog op de vloer Hij vloekte als een ketter, zwoer en riep dat ik moest blijven staan. Hij sprong wild achter mij aan terwijl hij zwaaide met zijn mes en ik, ik leidde hem expres tot bij de plaats waar Isengrin gevangen zat. De haan zat in mijn mond, maar ach, wat woog hij zwaar! Ik kon niet anders dan hem daar toevallig laten vallen, voor het gat. 'Voilà!' riep de pastoor: 'Je bent je buit al kwijt, stuk dief!' Hij brieste. Ik zei 'Alstublief!' en ging er toen gezwind vandoor! En toen eerwaarde heer pastoor zich bukte, zag hij Isengrin. Wat nu volgt, is wel te voorzien. De pastoor wierp met het mes zijn oog uit. En toen kwamen zes gewapende parochianen die hem onder handen namen. Het ging er nogal luid aan toe. De buren kwamen uit hun huis en als een lopend vuur- tje ging het nieuws rond: in de schuur van de pastoor, daar zat een wolf gevangen, die met zijn buik was blijven hangen in het gat. Wat een commotie! De buurt liep over van emotie en kwam naar het mirakel zien. Het spel was uit voor Isengrin. Hij werd intensief geschopt, en rondom bont en blauw geklopt. Hij kon niet eens verhinderen dat een handvol kinderen hem een blinddoek omdeed. Zin of niet, hij had geen keuze, Isengrin. Ze sloegen hem zo hard met stokken tot zij hem uit het gat getrokken hadden. Alles moest hij ondergaan. Vóór men hem losliet, heeft men aan zijn hals een zware steen gebonden, en kort daarop zijn alle honden blaffend op hem losgelaten. Hij incasseerde heel wat slagen zolang hij bij bewustzijn was. Maar plots viel hij omver in 't gras; Hij was -zo leek het toch- morsdood. De vreugde van de jeugd was groot: Zij dansten, joelden, maakten herrie, legden hem dan op een berrie en over struikgewas en hagen hebben zij hem weggedragen. Buiten 't dorp is hij een nacht lang blijven liggen in een gracht. Joost mag weten hoe hij dat heeft overleefd. Maar, soit. De keer daarop beloofde hij een jaar lang mijn lakei te zijn als ik hem kippenvlees serveerde. Terwijl hij met mij meemarcheerde liet ik hem in 't kort verstaan dat er twee kippen en een haan verbleven in een boerderij, hoog op een hanebalk, vlakbij een valdeur! Hij geloofde mij! Ik overtuigde hem dat hij met mij tot op het dak moest klimmen en dat hij ginder boven binnen kon langs het bewuste valluik en dat hij daar zijn lege buik met kippenvlees kon vullen. Hij kon zijn vreugde niet verhullen en zenuwachtig kroopt hij door het luik. Hij boog zich dan naar voor en tastte in het donker rond. Omdat hij uiteraard niks vond, zei hij bezorgd: 'Ik vind geen buit!' Ik zei: 'Nonkeltje, wat steekt gij uit? Kruip wat verder naar het midden! Die, die hier het dichtste zitten, die heb ik vroeger al verschalkt!' Hij kroop nog verder op de balk en toen hij ver genoeg was -God, wat hield ik hem toch voor de zot- deed ik hem schrikken. De debiel verloor zijn evenwicht en viel! Hij tuimelde van hoog in't dak omlaag en landde met een smak beneden op de vloer. Iedereen schoot wakker en er was geeneen die op dit nachtelijke uur kon raden, wat er naast het vuur gevallen was! Ze maakten licht en kregen Isengrin in zicht. Ze hebben hem bijna gedood. Ik heb hem dikwijls diep in nood gebracht. Maar, wat ik ook met hem mag hebben uitgespookt, ik heb toch het meeste spijt van mijn gebrek aan loyauteit voor Yswende, zijn mooie vrouw, waar hij onnoemelijk van houdt. God moet het mij vergeven! Ik heb iets met haar bedreven dat ik liever voor mij had dan achter mij.' Grimbeert sprak: 'Zeg, als je biechten wil bij mij om zo van al je zonden vrij te zijn, wel, spreek dan klare taal. Wat betekent dit verhaal?' 'Ik heb iets met haar gedaan!' 'Hoe moet ik dat nu juist verstaan? Ik wil het scherp geformuleerd.' Reynaert zei: 'Maar, lieve Grimbeert Mijn tactgevoel is veel te groot om u hier zomaar bot en bloot te zeggen dat ik met mijn tante heb gevrijd. Wij zijn verwanten en ik wil u niet choqueren. Zo, dat was het ongeveer, euh, verder weet ik niets meer nu en daarom, Grimbeert, vraag ik u een aangepaste penitentie.' Grimbeert, vol intelligentie, brak uit een haag een kleine roede en gaf hem daarmee veertig boete- slagen, één voor elke misdaad. Vervolgens gaf hij hem de raad zich tot het goede te bekeren en te vasten en te mediteren, en te heiligen de dag des Heren, en iedereen te corrigeren die naast het rechte pad zou lopen en eerlijk aan de kost te komen. Verder liet hij hem beloven dat hij nooit meer iets zou roven of zou stelen en voortaan uitsluitend nog zou denken aan zijn ziel. Op hoop van zegen gingen zij daarna hun wegen. Daarmee was de biecht gedaan Zij vatten dus hun reis weer aan en gingen samen naar 't proces. Nu lag toevallig langs de weg waarop hun tocht juist was begonnen een kloostertje van zwarte nonnen, waar vele kippetjes en hoentjes, veel hennetjes en veel en kapoentjes buiten de omheining liepen. Reynaert was bepaald het type dat sluw en onbetrouwbaar is. Hij zei: 'Als ik mij niet vergis, dan is de kortste weg langs hier!' Op deze listige manier bracht hij Grimbeert bij de schuur waar het pluimvee langs de muur op wandel was, her en der. Reynaert zag ze al van ver en gaf zijn ogen goed de kost. Daar liep, ietwat apart, een roste haan, die vet was en ook jong. Reynaert vloog er met een sprong op af, zodat de pluimen stoven. 'Maar oom! Zit er bij jou hierboven soms iets los? Wat ga je doen?' riep Grimbeert. 'Wil je voor zo'n hoen hervallen in het zondig leven waarvoor jij nog maar zoëven absolutie hebt gekregen?' Reynaert zei: 'Ach, hou me tegen. Ik was het weer vergeten, neef. Vraag God dat hij het mij vergeeft! Het gebeurt mij nooit niet meer!' Zij keerden op hun stappen weer, over een smalle brug. Maar Rey- naert bleef over zijn schouder kij- ken naar die malse kippendingen. Hij kon zich bijna niet bedwingen, hij verlangde zo, hij snakte... Als je zijn hoofd had afgehakt dan was dat rechtstreeks en subietens terug gevlogen naar die kiekens. Grimbeert keek naar zijn gelaat en zei: 'Jij, onbeschaamde veelvraat! Je kijkt haast scheel van de begeerte.' Reynaert zei: 'Gij zijt verkeerd!' Het kwetst mij dat ge zoiets denkt, terwijl ik aan het bidden ben! Laat mij twee paternosters lezen voor de ziel van de gewezen hoenders en de ganzen, die ik hier zo dikwijls én met veel plezier in mijn netten heb gestrikt en van de nonnen heb gepikt!' Grimbeert ergerde zich krom want Reynaert keek voortdurend achterom. Zo kwamen zij weer op de hoofdstraat. Reynaert kreeg het langzaam kwaad. Hij naderde nu snel het hof en hij wist absoluut niet of hij het proces zou overleven. Hij begon zowaar te beven! Toen aan het hof vernomen werd dat Reynaert aangekomen was in het gezelschap van de das, denk ik dat er niemand was die geen aanklacht voorbereidde. Zelfs wie arm was, ziek, of beide, had het op de vos gemunt. Reynaert maakte er een punt van niet te tonen dat hij bang was en hij zei zelfs tot de das: 'Laat ons midden door het volk gaan!' Hij nam daarbij een houding aan van grote superioriteit als was hij zelf een majesteit en had hij niets verkeerd gedaan. Zelfverzekerd ging hij staan voor koning Nobel en hij zei: 'Dat God, die alle heerschappij bezit, u roem en eer mag geven en een lang, gelukkig leven. Ik groet u, koning! En met recht! Geen vorst heeft ooit een knecht gehad zo trouw als ik: altijd een toonbeeld van loyauteit. Dat is al meer dan eens bewezen! Helaas! De meesten hier aanwezig zouden mij uw vriendschap roven, als u hun leugens zou geloven. Maar dat doet u niet! Geloofd zij God! Het siert gekroonde hoofd- en dat zij kritisch luisteren naar wat boze tongen fluisteren. Niettemin is 't godgeklaagd dat er aan het hof vandaag zoveel oneerlijke schavuiten zijn die zomaar klachten uiten aan 't adres van iemand die onschuldig is. Geloof ze niet! Zij zijn van boosheid zo doortrokken dat zij kwaad berokkenen aan wie rechtschapen is. God moge ze verdoemen tot in eeuwigheid. Ze zijn het waard!' De koning zei: 'Wel, wel, Reynaert! ach, Reynaert, valse opponent! Dat mooie redenaarstalent van jou, dat helpt je nu geen zier. Smeken moet je ook niet hier. Zo maak je mij niet tot je vriend. 't Is waar, je wou mij ooit van dienst zijn bij een affaire in de wouden, maar je hebt je niet gehouden aan de eed die je gezworen had.' 'O wee, ik heb zoveel verloren...' sprak Cantecleer, terwijl hij opstond, maar Nobel zei: 'Ach, hou je mond, heer Cantecleer, en laat mij spreken. Gun mij het antwoord op zijn streken. Ach, mijnheer de dief, Reynaert, hoeveel liefde ik jou waard ben, heb je goed gedemonstreerd aan mijn bodes: de arme Tybeert en daarvoor de edele Bruin, die nu nog bloed heeft aan zijn kruin. Dat zal ik je nooit vergeven! Dat betaal je met je leven! Ik maak er korte metten mee!' 'Nomine Patrum, Christum filie!' zei Reynaert 'Het kan zijn dat Bruin nog altijd bloed heeft aan zijn kruin, maar wat heb ik daarmee te maken? Mijnheer liet zich die honing smaken en Lamfroit heeft hem betrapt. 't Is waar, hij is hard aangepakt, geslagen en ook grof beledigd, maar als hij zich wat had verdedigd in plaats van op de vlucht te slaan, de zaken zouden anders staan! En wat betreft de kater Tybeert: als iemand die bij mij logeert ongevraagd uit stelen gaat en zo in de problemen raakt, is dat dan mijn verantwoordelijkheid? Dan vervloek ik tot in eeuwigheid mijn lot! Ach, Leeuw, geloof mij vrij: uw absolute heerschappij wordt hier door niemand niet betwist. Wat u als koning ook beslist, gebeurt, ten goede of ten kwade. Als u mij koken wilt, of braden, of ophangen, of mijn ogen uitslaan, zal ik dat moeten ondergaan. U zwaait over iedereen de plak. U bent groot en ik ben zwak. Uw achterban, die is erg groot; de mijne klein. Toch is een dood- straf de verkeerde oplossing voor dit spijtig rechtsgeding.' Wie sprong daar op? Belijn de ram en samen mét hem zijn madam, het schaap Mie Mèè. Belijn zei: 'Laten wèè al onze klachten formuleren.' Bruin sprong recht met alle beren, én Tybeert, de gebelgde kater, én Isengrinus, zijn confrater, én Fortàdent, het everzwijn en ook de raaf, heer Tiecelijn, én Pancer de bever, én Bruneel de dikke roerdomp, én Rosseel de eekhoorn, én mevrouw Fluweel de wezel, en natuurlijk weer de familie Cantecleer, met klapperende vleugelslag, maar ook het fret, Klein Winstbejag. en allen stapten samen naar de koning en ze eisten daar met klem en in het openbaar de arrestatie van Renard. Zelden heeft men een pleidooi gehoord van dieren, dat zo mooi was, zo ad rem en duidelijk. Het is helaas onmogelijk in verzen te reproduceren hoe scherp zij daar argumenteerden. Ik kort het daarom ook wat in voor u. Ach, elke redevoering was een pareltje op zich. En zoals de wet verplicht werd elke aanklacht ook bewezen. Tot slot vroeg Nobel over deze boef het oordeel van zijn raad. De heren eisten dat er dade- lijk een galg werd opgericht om die uitzonderlijke booswicht op te hangen bij zijn keel. Reynaerts spel leek uitgespeeld. Toen Reynaert dus veroordeeld was, verlieten naast Grimbeert de das ook Reynaerts naaste bloedverwanten het proces, om de navrante reden dat zij niet konden gedogen dat men Reynaert voor hun ogen op zou knopen als een dief, al had niet iedereen hem lief. De koning was een wijs strateeg en toen hij in de gaten kreeg dat er zoveel jongelingen met Grimbeert mee naar buiten gingen, simpelweg uit sympathie voor hun familielid, toen dacht ie ‘Dit pak ik beter anders aan, want, al is Reynaert een flagrante schurk, zijn familie is erg ruim.' Hij zei: ‘Isengrin en Bruin, waarom zo traag en onbeslist? Reynaert is een specialist- ontsnapper en de avond valt. Hij mag in geen geval een kans om te ontsnappen krijgen, want hij staat te trappelen om weg te raken. Als hij vlucht, dan zien we hem hier nooit meer terug. Hij moet hangen. Waarom dan niet nu onmiddellijk? Of kan dat niet meer vóór de nacht valt? Isengrin zei heel bedacht- zaam: ‘Er is hier een galg, dichtbij! 'maar met dezelfde adem zuchtte hij. Tybeert de kater zei: ‘Isengrijn, ik weet het wel: je hart doet pijn en ik begrijp dat ook een beetje. Maar door Reynaerts list - dat weet je - zijn Dikke Buik en Grote Balg, jouw broers, gestorven aan de galg! Nu is het uur gekomen van de wraak. Als je een echte man was, dan was alles al voorbij en was Reynaert er al bij! 'Isengrin zei tegen Tybeert: ‘Onnodig dat je mij beleert. Hadden wij hier nu een strop, dan wist Reynaerts vossenstrot al lang hoe zwaar zijn billen wegen! 'Reynaert, die tot nu gezwegen had, zei: ‘Mijne heren, hou het kort. Kijk, Tybeert heeft een touw veroverd. Kijk maar rond zijn keel. Hij heeft er er ongelooflijk veel voor moeten doen, daar in het huis van de pastoor. En in zijn kruis. Dus, Isengrin, niet meer getreurd! Vandaag valt u de eer te beurt uw eigen neef, Reynaert de rode, met eigen hand te mogen doden! 'De koning zei daarop spontaan: ‘Laat Tybeert met u mee gaan. Laat hem naar boven klimmen met het touw en delen in de pret. Vooruit, Tybeert, maak alles klaar! Verlies geen tijd. Kom, ga nu maar! 'Daarop zei Isengrin tot Bruin: ‘Ik zweer het, bij de kloosterkruin die boven op mijn schedel staat: Reynaert heeft de beste raad gegeven die ik ooit van enig dier gekregen heb. Hij wil kloosterbier? Wel, we zullen het hem brouwen! 'Bruin riep: ‘Tybeert, neem het touw en kom! Wij zetten hem betaald wat hij met ons heeft uitgehaald: mijn mooie wangen en jouw oog. We hangen hem vandaag zo hoog, dat al zijn maatjes het goed zien!' ‘Komaan! Hij heeft het dik verdiend. zei Tybeert en hij nam de koord met een enthousiasme, ongehoord! 'De drie heren die op Reynaert woedend waren, waren klaar: de wolf, vervolgens Tybeert, en dan Bruin, die had geleerd hoe men het best geen honing steelt. Isengrin was heel formeel en vlak voordat hij weg zou gaan maande hij eenieder aan, al zijn nichten, al zijn neven, allen die aan 't hof verbleven, elke buur en elke gast: ‘Alsjeblief, hou Reynaert vast! 'En Aarseind, zijn echtgenote, zei hij dat hij ze zou doden als ze niet bij Reynaert bleef. ‘Ik wil dat je aan Reynaert kleeft, en geen duimbreed van hem wijkt niet voor geld en niet voor rijk- dom, niet door ziekte of door nood. Je blijft

Contact: info@veltreinaert.be