Heel wat tuiniers hebben last van slakken. In dit artikel sommen we een aantal feiten en fabels op en geven we trucs om deze beestjes uit je tuin te krijgen.

Feit 1: We hebben invasieve slakkensoorten

Bij ons vind je minstens twee zeer invasieve naaktslakkensoorten. Deroceras invadens beweegt zich sneller voort (4,9 mm per seconde). Arion vulgaris (de Spaanse slak, zie foto) legt tot 400 eitjes. Deze soort kruist vlot met de inheemse Arion ater (de zwarte wegslak); hun nazaten kunnen dan weer beter tegen de koude. De eerste meldingen van deze soorten bij ons dateren van rond 1970.

Als je vindt dat er almaar meer slakken in je tuin zitten, dan heb je dus gelijk. En nieuwe slakken vragen om een nieuwe aanpak. Van alle ingevoerde plantjes en diertjes kunnen alleen de sterkste soorten overleven. Een extra troef is dat ze hier meestal geen natuurlijke vijanden hebben, zo worden ze gemakkelijk een plaag.

Feit 2: We hebben niet genoeg egels en lijsters

Wie ecologisch tuiniert wilt graag een natuurlijk evenwicht, waarin natuurlijke vijanden net op tijd je ongewenste slakken komen intomen. Veel nuttige dieren zien in je slakken vooral een mals hapje en laten zich niet afschrikken door slakkenhuis of -slijm. Egels, padden, kikkers en veel vogelsoorten hebben we graag in onze tuin om de slakken te lijf te gaan.

Al die slakkeneters hebben huisvesting nodig en natuurlijke biotopen in en om je tuin. Helaas zijn er meer levensgevaarlijke straten dan gastvrije egelhuisjes in ons landschap, meer katten dan nestkastjes en meer omheiningen dan vijvertjes.

Feit 3: Er zijn ook veel kleine slakkenvreters

Er zijn kleine, vrij onbekende slakkenetende soorten die je vlot kunt aantreffen in je tuin. Veel spinnensoorten, en ook de verwante hooiwagens, lusten wel een stukje slak. De slakkenhooiwagen scheurt slakkenhuizen met zijn krachtige scharen stuk en eet dan de bewoner op. Onder tegels vind je ook gemakkelijk loopkevers. Loopkevers eten graag mals vlees, maar ook af en toe een worm.

Fabel 1: Huisjesslakken zijn nuttig, naaktslakken zijn schadelijk

De meeste naakt- en huisjesslakken hebben een heel breed menu, gaande van bladeren en schimmels tot dode diertjes. Het lookglansslakje is een bondgenoot in onze tuin. Dit donkere, glanzende huisjesslakje is amper een hemdsknoop groot en zit graag onder tegels. Het eet vooral kleine naaktslakken en slakkeneieren.

Fabel 2: Slakken hebben een voorkeur voor de zwakste planten

Slakken lusten vooral de sappigste en zoetste planten. Je zal nooit op een wilde sla – de voorouder van onze kropsla – slakken zien grazen, want deze wilde plant verdedigt zich met bitterstoffen en stekels. Die verdedigingsmiddelen hebben we in de voorbije eeuwen weg geselecteerd, zodat sla nu lekkerder is. Dat is voor slakken niet anders.

 

Truc 1: Laat dode slakken liggen

Als je regelmatig dode slakken in je tuin deponeert, is dat gefundenes Fressen voor die kleine en grote natuurlijke vijanden. Als je slakkenvallen installeert (op basis van bier of suikerwater), kun je de lijkjes dus het best gewoon in je tuin laten liggen, ten voordele van diverse slakkeneters.

Truc 2: Nematoden, en hoe je ze zelf kweekt

In sommige tuinwinkels kun je aaltjes kopen die naaktslakken parasiteren en doden. Toby Buckland, presentator van het BBC-programma Gardeners' World, heeft een methode bedacht om zelf nematoden te kweken. Stop minstens 20 naaktslakken in een emmer met een deksel-met-gaatjes. Doe er een bodempje water en een handvol slabladeren bij.

Veel slakken dragen wel een of andere parasiet, onder andere die aaltjes. Door de naaktslakken onnatuurlijk dicht bij elkaar te brengen, gaan die parasieten zich vermenigvuldigen. De aaltjes bewegen zich vlot door dat bodempje water en steken de hele slakkenbevolking aan. Schud om de paar dagen met de emmer, zodat alle slakken even nat en besmet worden. Na twee weken zijn alle slakken dood. Vul de emmer bij met water en zeef – met een stukje kippengaas  – de vloeistof, die nu vol nematoden zit. Met een gieter verdeel je de aaltjessoep over de bodem.


(C) Foto's: Wikimedia (Xauxa Håkan Svensson) en Naturespot