Dat bloembollen je tuin kleur schenken en voedsel bieden aan tal van insecten, hoeven we je ongetwijfeld niet meer te vertellen. Maar hoe ga je het best aan de slag met bollen? Welke soorten kies je? En hoeveel plant je er? Deze tips helpen je op weg.

1. Geschikte bodem

In een goed doorlatende, matig vochtige bodem doen vrijwel alle bollen het goed. Op vochtigere plaatsen kun je kievitsbloem (Fritillaria meleagris), zomerklokje (Leucojum aestivum), Camassia en sommige narcissen zetten. Bollen die ook in droge, maar voedzame zandige, puinige of stenige grond vlot verwilderen zijn botanische tulpen en (sier)uien (Allium).

2. Bollen voor bestuivers

De eerste hommelkoninginnen vliegen al in maart, op zoek naar nectar en stuifmeel om hun kolonies te starten. Je kunt hen en andere vroege bijen helpen door de vroegst bloeiende boerenkrokus (Crocus tommasinianus) tussen je andere krokussen te planten. Trakteer hen en jezelf daarna op de heerlijke geuren, kleuren en smaken van kleine botanische tulpjes (ja, ze zijn eetbaar!).

De meeste gecultiveerde narcissen en tulpen bieden weinig voedsel voor bijen, vlinders en zweefvliegen. Vergezel ze daarom altijd van andere biobollen en lentebloeiers. In de late lente en vroege zomer verander je je tuin met een vuurwerk van alliumsoorten in een festivalweide voor bestuivers.

3. Eeuwige bloei

Een combinatie van winter-, lente-, zomer- en herfstbloeiende bollen zorgt voor permanente bloei in je tuin. Bedenk wel waar je de bollen zet. Waar je het gazon al in mei wilt maaien, plant je alleen lentebollen die ten laatste eind april zijn uitgebloeid (Crocus, Scilla, Chionodoxa) zodat het loof vier tot zes weken de tijd heeft om af te sterven. Op plaatsen die je later maait, zet je hogere bollen met bloei in april tot juni zodat ze boven het groeiende gras blijven uitsteken.

Zomerbloeiers als dahlia en gladiool, die je bij de eerste vorst moet uitgraven, staan prima aan de rand van de moestuin. Herfstbloeiers als de saffraankrokus (Crocus sativus) en winterharde cyclamen (Cyclamen hederifolium) staan het best in de vasteplantenborder, omdat hun blad in de herfst verschijnt en tot in de late lente blijft staan.

4. Hoeveel bollen en soorten?

Hoeveel bollen je per vierkante meter plant, hangt af van de grootte van de bollen en de kleurintensiteit die je wenst. Voor verwildering kun je 40 kleine bollen (Crocus, Scilla), 15 tot 25 middelgrote bollen (Chionodoxa, Muscari, Fritillaria meleagris, Leucojum, narcissen en tulpen) of een vijftal grote bollen (Camassia, grote alliumsoorten) per vierkante meter planten.

Wil je verschillende groottes combineren, halveer dan de hoeveelheden zodat je niet meer dan 40 bollen per vierkante meter plant. Je kunt soorten met dezelfde of elkaar opvolgende bloeitijden op hetzelfde oppervlak zetten, of je plant ze volgens bloeitijd in overlappende stroken of zones, zodat de bloei verschuift doorheen je tuin. Beperk je tot twee tot vier tegelijk bloeiende soorten.