Je tuin heeft onder- en bovengrondse helpers nodig. Het liefst heel veel, want elk diertje draagt bij tot het ecologische evenwicht in en om je tuin. Zo krijgen plaagdieren minder kans. Hoe krijg en houd je die nuttige beestjes in je tuin?

1. Trek gaasvliegen aan

De larve van de groene gaasvlieg (Chrysoperla carnea) vreet alleen maar bladluizen. Het gaasvliegwijfje legt haar eitjes bij voorkeur op grote, ruwe, behaarde bladeren. Bernagie en smeerwortel zijn haar topfavorieten. Je hebt dus nog een extra reden om deze ruwbladigen in of bij je moestuin te zetten.

2. Bouw nu insectenhotelletjes

Meervoud, ja, want volgens kenners zijn verschillende kleinere insectenkastjes beter dan één groot insectenmonument. Insectenhotelletjes maak je vlot zelf, en gratis, met onder andere holle stengels en takkenschijven. Vanaf de eerste warme februaridagen mag je al bezoek van solitaire bijen verwachten. Later in het voorjaar komen er nog meer nuttige insecten in wonen.

3. Vertroetel je regenwormen

Heb je een tuintje van 100 m²? Dan wonen er tot wel honderdduizend regenwormen. Samen wegen die 300 kilo (dat is ongeveer 50 procent van alle biomassa in je bodem) en produceren ze jaarlijks 600 kilo hoogwaardige compost. Ook hun pierentunnels dragen bij tot je moestuin:

  • Dagelijks graven je pieren er tot een halve kilometer bij. Per are, jawel!
  • Die gangen kunnen bij (hevige) regen op korte termijn 2000 liter water opvangen en naar beneden afvoeren. Minder erosie dus, en meer wateropslag.
  • Wormengangen zijn ook snelwegen voor plantenwortels: die nemen graag die kant-en-klare liftschachten naar beneden. Daarom zeg ik steevast: leer eerst pieren kweken, dan pas groenten. Je helpt je regenwormen (en je groenten) enorm als je organisch bemest en de pieren niet verstoort. Spit/frees/ploeg dus niet, en loop niet op je bedden.